Johann Bernoulli Institute for Mathematics and Computer Science > FWN > RUG

Julius Wolff

Jeugd en opleiding

Julius (‘Jules’) Wolff is in de eerste decennia van de twintigste eeuw een prominent wiskundige. Hij wordt op 12 april 1882 in Nijmegen geboren als zoon van veehandelaar Levie (‘Louis’) Wolff en diens tweede vrouw Ida Jacobsohn. Ze wonen in Nijmegen op de Ganzenheuvel hoek Lange Brouwerstraat. Jules is de jongste van drie kinderen. Hij heeft een oudere halfzus Cato (geboren in 1874) en broer Bernard (1880)$^1$. Vanaf 1885 woont het gezin Wolff tien jaar in Huize Centurio in Bemmel, tegenwoordig Loostraat 10. Het is een aanzienlijk huis met een boomgaard. In mei 1895 verhuist het gezin naar Arnhem, waar ze op Walburgsplein 16 wonen en vanaf 1900 aan de Koningstraat 68. In 1900 slaagt Jules aan de Arnhemse H.B.S voor het examen H.B.S. A. Nadat hij ook staatsexamen H.B.S. B gedaan heeft, studeert hij vanaf najaar 1901 wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hier leert hij J.A. Barrau (1873-1953) kennen, zijn latere collega in Groningen en Utrecht. Tijdens zijn studie woont Wolff in de Hemonystraat, eerst op 45ii en vanaf 1903 op 35ii. In de zomer van 1905 behaalt hij cum laude het doctoraal examen. Aansluitend werkt hij, in de beginfase weer terug bij zijn ouders in Arnhem, onder leiding van de hoogleraar Korteweg aan het proefschrift Dynamen beschouwd als duale vectoren, dat hij op 15 januari 1908 in Amsterdam met succes verdedigt.


$^1$ In het eerste huwelijk van Levie Wolff (met Flora Wijzenbeek) worden na Cato nog twee kinderen geboren, die beiden kort leven (Flora Francisca Wolff van 27 oktober tot 18 november 1875 en Bernardus overleden 2 dagen oud op 24 januari 1877 gevolgd door zijn moeder op 29 januari 1877). In de bevolkingsregisters van Nijmegen (tot 1885) en Bemmel (tot 1895) komt het gezin Wolff-Jacobsohn (ook gespeld als “Jacobsen”) voor met Cato als enige dochter. Rond 1900 komt de naam Cato niet meer voor, in tegenstelling tot de naam van haar overleden zuster Flora Francisca Wolff. Op 12 september 1906 trouwt in Arnhem een vrouw die de naam Flora Francisca Wolff voert en de geboorteakte overlegt van Flora Francisca Wolff, dochter van Levie Wolff en Flora Wijzenbeek, met Jonas Hegt. Ze ondertekent in de decennia erna verschillende familie-advertenties als C. Hegt-Wolff.
Heeft Cato zich de identiteit van haar overleden zuster toegeëigend?

Gezin en eerste banen

Jules Wolff is in deze periode op verschillende terreinen actief. Hij werkt sinds augustus 1906 als leraar aan de Rijks H.B.S. in Meppel en verhuist in september van Arnhem naar Meppel, waar hij op kamers woont in de Grote Kerkstraat en later in de Eerste Hoofdstraat (wijk 6-171 en 6-5). Hij doet mee aan de prijsvragen die het Wiskundig Genootschap jaarlijks uitschrijft. In 1906 wordt zijn inzending over een vraag uit de mechanica bekroond. In de jaren erna zal hij nog verschillende keren succes hebben met prijsvragen over meetkunde en mechanica en twee decennia later zal hij ook als jurylid optreden. In 1908 vertrekt Wolff naar Middelburg en wordt daar leraar aan de Rijks H.B.S. In Middelburg vallen zijn wetenschappelijke verdiensten op, want hij wordt in 1910 benoemd tot lid van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Ook publiceert hij in dit jaar zijn eerste twee wetenschappelijke artikelen. Een daarvan, in Nieuw Archief voor Wiskunde, is een bekroonde inzending voor een prijsvraag, het andere verschijnt in een Verslag van een vergadering van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

Jules Wolff trouwt op 9 augustus 1911 in Tilburg met Betsij (‘Betsie’ en ook wel ‘Elisabeth’) Gersons. De twee hebben familiebanden, want zijn tante Roosje Wolff, een zus van zijn vader, is getrouwd met haar grootvader Abraham de Jonge. Jules en Betsie wonen in Middelburg aan de Londensekaai 7, waar 12 augustus 1912 hun zoon Louis wordt geboren. In de zomer van 1914 verhuizen ze naar Valeriusstraat 18 hs in Amsterdam, waar Jules benoemd is tot leraar wis- en natuurkunde aan het Stedelijk Gymnasium, tegenwoordig bekend als het Barlaeus. Op 20 februari 1915 wordt dochter Hélène Ida (‘Lenie’) geboren. En als in februari 1916 Jules’ vader overlijdt komt zijn moeder bij Jules en Betsie inwonen. Ze zal bij hen blijven wonen tot haar overlijden in 1924.

De wetenschap blijft trekken. Jules Wolff wordt door B en W van Amsterdam toegelaten als privaatdocent aan de Gemeenteuniversiteit, zodat hij onbezoldigd onderwijs mag geven. Hij markeert de “opening van zijn lessen in de wiskunde” op 2 februari 1916 met een openbare les over De nieuwere onderzoekingen op het gebied der algebraïsche oppervlakken. Deze stap op de wetenschappelijke ladder wordt opgemerkt, in elk geval in de faculteit der wis- en natuurkunde van de Groningse Rijksuniversiteit. Daar vertrekt eind 1916 de hoogleraar F. Schuh om terug te keren naar de Technische Hogeschool in Delft. De faculteit zet de Deense wiskundige Harald Bohr, broer van Niels Bohr, als eerste op de voordracht, omdat hij in niveau ver uitsteekt boven de beschikbare Nederlandse kandidaten. Over de tweede op de voordracht schrijven de hoogleraren van de faculteit aan curatoren:

“Als No 2 op de voordracht voornoemd, beveelt de Faculteit bij Uw College aan den heer Dr. J. Wolff, leeraar te Amsterdam, en privaatdocent aan de Gem. Universiteit aldaar. Ofschoon de heer Wolff niet op eéne lijn gesteld kan worden met den vorigen candidaat, zoo geldt toch van hem, dat hij onder de jongere Nederlandsche mathematici zeker eene eerste plaats inneemt; en in aanmerking nemende, dat hij nog jong is en zijne publikatie’s nog niet zoo talrijk kunnen zijn, mag op grond van wat hij alreeds gepraesteerd heeft, het beste voor de toekomst van hem gehoopt worden. De heer Wolff is reeds zesmaal door het Wiskundig Genootschap te Amsterdam bekroond geworden voor door hem beantwoorde prijsvragen van genoemd genootschap; hiernevens (: Bijlage II) gaat eene lijst zijner publikatie’s. Volgens deskundigen kenmerkt hij zich door het bezit van een scherp en doordringend wiskundig talent, en met succes heeft hij zich o.m. beziggehouden met de moeilijke problemen, welke aan de nieuwere richtingen der wiskunde eigen zijn. De heer Wolff is bekend als een innemend man, en een uitstekend docent, met opgewekte voordracht, zoodat hij ook als leeraar bij het gymnasiaal onderwijs te Amsterdam zeer goed heeft voldaan. Het is op deze gronden, dat de Faculteit meent, Dr. Wolff met volle gerustheid voor den te vervullen leerstoel, te kunnen voordragen.”

Hoogleraar in Groningen

Als Harald Bohr in december 1916 laat weten in Kopenhagen te willen blijven, wordt Jules Wolff bij Koninklijk Besluit van 6 februari 1917 op voordracht van curatoren benoemd tot hoogleraar in “de differentiaalrekening, de theorie der functiën en de hoogere stelkunde” (stelkunde is het Nederlandse equivalent van algebra). Op 28 maart 1917 begint hij in Groningen zijn werk als hoogleraar met een rede over Complexe getallenstelsels. Aan het einde van de rede richt hij zich tot de “Hooggeleerde Barrau”, die hij tijdens zijn studie in Amsterdam had leren kennen en die ook bij Korteweg gepromoveerd was. Barrau, die in 1913 in Groningen benoemd was, had in de discussie over de opvolging van Schuh voor Wolff gepleit. Woorden van dank zijn er voor zijn voorganger Schuh, en voor de Amsterdamse hoogleraren H. de Vries en L.E.J. Brouwer, beiden ook uit de school van Korteweg. In de zomer van 1917 verhuizen Jules en Betsie Wolff met hun zoon Louis en dochter Lenie en met de moeder van Jules naar Aweg 26 in Groningen. Daar wordt op 9 oktober 1919 zoon Ernst geboren. Mei 1922 verhuizen ze naar Jozef Israëlsstraat 82, waar ze tot eind oktober 1922 zullen blijven.


Omslagen van de rede in Amsterdam en de oraties in Groningen en Utrecht (1916, 1917, 1922)

Wolff neemt in Groningen het onderwijs energiek ter hand. Hij geeft in het cursusjaar 1918-1919 vier uur college over differentiaal- en integraalrekening, één uur over hogere algebra, één uur over functietheorie, twee uur over algebraïsche functies en één uur over differentiaalvergelijkingen. In de jaren erna wisselt alleen het onderwerp van de twee uur over algebraïsche functies. Naast hun colleges kondigen Barrau en Wolff samen ‘mathematische oefeningen’ aan op dagen en uren die de studenten en hunzelf goed uitkomen. De stroom publicaties van Wolff, begonnen met het proefschrift en oplossingen van prijsvragen, houdt aan. Wolff richt zich met artikelen in Frans, Duits en Engels en door de keuze voor internationale tijdschriften en congresbezoek ook op een internationaal publiek. De meeste van zijn artikelen in de jaren ’20 en ’30 zijn in het Frans en verschijnen in de verslagen van de Parijse Académie des Sciences en het Bulletin van de Franse wiskundige vereniging. In 1921 en 1922 is hij bovendien voorzitter van het Wiskundig Genootschap (WG) na vanaf 1915 lid van het bestuur te zijn geweest. In 1917 maakt hij met de hoogleraren Brouwer, Kluyver, Ornstein en J. de Vries deel uit van een commissie van het WG “ter overweging van de wenschelijkheid, het onderwijs aan de Nederlandsche universiteiten een uitbreiding te doen ondergaan.” De aanbevelingen van de commissie worden door het WG, als Amsterdamse instelling, aan Burgemeester en Wethouders van Amsterdam overgebracht, en omdat het onderwijs betreft tevens aan de minister van Binnenlandse Zaken. De aanbevolen splitsing van het wiskundig onderwijs in zes deelgebieden in combinatie met een “belangrijke uitbreiding der wiskundige leerkrachten”, die aan minstens één universiteit ingevoerd zou moeten worden, en een uitbreiding op beperkte schaal aan de overige universiteiten. De bezetting met een hoogleraar analyse, een hoogleraar meetkunde en een lector voor de propaedeutische wiskunde blijft echter nog decennia gehandhaafd.

Als in het voorjaar van 1922 de Franse hoogleraar Denjoy Utrecht verlaat en aan de Sorbonne gaat doceren, dragen de hoogleraren N. Schoorl en H.J. Jordan namens de Faculteit der Wis- en Natuurkunde op 7 juli 1922 als eerste Julius Wolff voor met de volgende aanbeveling:

“Dr. Wolff heeft, vooral in de 5 jaren gedurende welke hy hoogleraar is, blyken gegeven van een merkwaardige intuïtie op analystische-mathematisch gebied. Het is hem by herhaling gelukt, een antwoord te vinden op vragen welke wiskundigen van naam onderzocht hadden zonder tot een oplossing te geraken. Zyn laatste ontdekking, opgenomen in de Comptes Rendus de l’Académie des Sciences, is aanleiding geweest voor het indienend lid dier Akademie om te wyzen op de groote belangrykheid van het door Dr. Wolff verkregen resultaat.
Dr. Wolff is in hooge mate bekend met de uitkomsten welke de wiskundigen der tegenwoordige periode op het gebied der analyse hebben verkregen en weet ze dienstbaar te maken aan het onderwys.
Wy willen hieraan toevoegen dat Dr. Wolff niet uitsluitend specialiteit [sic] in de theorie der functies is, maar, blykens publicaties uit de periode vóór het aanvaarden van het hoogleraarsambt, ook in andere gebieden der wiskunde goed thuis is.
Ten slotte merken wy op, dat Dr. Wolff een uitstekend akademisch docent is.“

Hoogleraar in Utrecht

Op 23 augustus 1922 delen Curatoren aan Wolff het Koninklijk Besluit van zijn benoeming mee, die hij de dag erna per brief aanvaardt. Ik neem mij voor, schrijft hij

“mijn beste krachten te stellen ter beschikking van het onderwijs aan de Utrechtsche Universiteit en van de wetenschap.“

Oktober 1922 is de maand van verandering. Het gezin verhuist naar Utrecht, waar het aan de Stadhouderslaan woont, eerst op nummer 76 en vanaf juli 1925 op nummer 51. Op 16 oktober 1922, kort voor de verhuizing naar Utrecht, houdt Wolff zijn oratie Over het subjectieve in de wiskunde, door de aftredend rector in 1923 genoemd als “eene zeer toegejuichte rede”. Wolff profileert zich ermee als iemand met een brede interesse, die zich veel verder uitstrekt dan zijn directe leeropdracht. Op zaterdag 21 oktober begint hij met zijn colleges. Net als in Groningen doceert Wolff in Utrecht de differentiaal- en integraalrekening, theorie der functiën en de hogere stelkunde.

Brieven uit de jaren ’20 en ’30 laten Wolff zien als een betrokken lid van de academische gemeenschap. In 1928 is hij betrokken bij een klein relletje. Zijn collega Jan de Vries, die sinds 1897 de meetkundevakken heeft gegeven, treedt af. Kamerlid Ir. Willem Albarda benadert De Vries, de twee kenden elkaar uit Delft, waar De Vries vóór zijn benoeming in Utrecht docent was aan de Polytechnische Hogeschool. Per brief doet Albarda een goed woordje voor de net 25 jaar oude B.L. van der Waerden. De brief wordt in de faculteit besproken, en namens de faculteit meldt Wolff zich bij Curatoren met de woorden:

“Enkele faculteitsleden vinden een krachtig optreden noodzakelijk en zijn er op gesteld, dat in ieder geval Curatoren weten, dat
10 de vakgroep Wiskunde, Natuurkunde, Astronomie het na rijp beraad geheel eens is geworden omtrent de voordracht en de volgorde daarvan; bij deze besprekingen passeerde Dr. V.d. Waerden met andere begaafde jeugdige mathematici de revue. Wij vonden echter die personen te jong, zij zijn pas begonnen met iets te presteren, terwijl Prof. Barrau te Groningen door zijn talrijke belangrijke publicaties en zijn ongeëvenaarde doceerkunst ons alle waarborgen geeft dat Utrecht een meetkundig centrum blijft. Ook Prof.Dr. Schouten en Dr. Schaake komen volgens ons inzicht eerder in aanmerking dan die jeugdige personen.
20 de geheele faculteit eenstemmig met de voordracht accoord ging.
Mij werd door enkele faculteitsleden verzocht, met U te overleggen, of er tegenmaatregelen moeten worden genomen, en zoo ja, welke.”

Curatoren benoemen op 1 september 1928 inderdaad J.A. Barrau. Terwijl Barrau zich in 1917 sterk had gemaakt voor de benoeming van Wolff in Groningen, deed Wolff nu op zijn beurt in Utrecht hetzelfde voor Barrau.

Twee brieven uit 1930 aan de Utrechtse rector laten zien dat Wolff betrokken was bij het informele contact tussen de hoogleraren in de ‘professorenkrans’, en dat hij zich –waarschijnlijk op verzoek van de rector– kritisch uitliet over de positie van de wiskunde aan de Utrechtse universiteit:

$\qquad$ "Zeer geachte Rector,
$\,\qquad\,$ Zie hier wat m.i. in het jaarverslag kan:
$\qquad$ “Doordien aan onze universiteit slechts twee hoogleeraren voor de geheele Wiskunde zijn, geen hoogleeraar voor de Getallentheorie, doordien een assistent ontbreekt, zoodat onder anderen geen sprake kan zijn van een goed beheer van leeszaal en boekerij; doordien een behoorlijk geöutilleerd mathematisch instituut ontbreekt, in welk opzicht Utrecht vrijwel eenig op de wereld is en zelfs bij de Technische Hoogeschool te Delft, waar de Wiskunde slechts hulpvak is, verre ten achter staat, biedt onze Universiteit nog steeds geen gelegenheid tot een behoorlijke studie in de Wis- en Natuurkunde.”
Met vriendelijke groeten
J. Wolff ”

Maatschappelijke betrokkenheid blijkt uit de volgende brief aan Curatoren van 27 februari 1934:

“Mijne Heeren Curatoren,
Met het oog op onlangs door onze Regeering verboden lidmaatschappen zend ik Uw college afschrift van een brief dien ik op 5 februari aangetekend zond.
~~~~~~~~~~
Afschrift: Aan het Comité van Kunstenaars en Intellectueelen
Postbus Z 66 A/dam
Buiten alle politiek staande heb ik indertijd mijn instemming betuigd met een protest tegen ergerlijk onrecht dat in Duitschland wordt gepleegd.
Nu onze Regeering het lidmaatschap van het Comité voor ambtenaren verbiedt, daar zij meent dat het Comité niet vrij is van politiek, verzoek ik, indien ik als lid beschouwd werd, te worden geschrapt als lid van Uw Comité.

Hoogachtend

J. Wolff

~~~~~~~~~~
Met verschuldigde hoogachting,
Uw dw
J. Wolff ”

In 1934 zijn er in Wolffs geboortestad Nijmegen ongeregeldheden rond een bijeenkomst van de N.S.N.A.P. waarin haat gezaaid wordt tegen Joodse burgers. Wolff protesteert hiertegen bij de burgemeester van Nijmegen en vraagt “om die dingen in het vervolg te voorkomen.” Burgemeester Steinweg laat in een brief weten herhaling “zoveel mogelijk” te zullen voorkomen. Het gebeurt niet vaak dat Wolff ervoor kiest om zich als Joods burger te manifesteren. In de openbaarheid deed hij dat alleen in 1924 twee keer. In januari van dat jaar was hij lid van het comité van aanbeveling van het Palestina-Opbouwfonds, dat een lezing in de Jaarbeurs organiseerde over “Het Joodsche Leed en het Joodsche Land.” En een half jaar later werd hij benoemd tot lid van het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in Nederland. Het genootschap was eind 1919 opgericht om “een band te vormen tusschen alle Joden, die op het gebied van de Joodsche theologie, geschiedenis, letterkunde, statistiek, het administratief recht of op enig ander terrein der Joodsche Wetenschap reeds iets hebben gepraesteerd of verwacht worden iets te zullen praesteren.” Het negenkoppige bestuur benoemde de leden.

Een jaar na zijn pleidooi voor de Joodse burgers van Nijmegen bepleit Wolff in samenwerking met Hans Freudenthal de zaak van hun Duitse collega en studiegenoot van Freudenthal, Erich Rothe, voor wie ontslag dreigde op grond van zijn joodse afkomst:

$\qquad\qquad$ Utrecht, 29 Oct ‘35
Zeer geachte Heer Freudenthal,
Met dank voor de toezending van de gegevens aangaande Dr. E. Rothe deel ik U mee dat ik geschreven heb aan de Academic Assistance Council, Rooms of the Royal Society, Burlington House, London W.1. , met bijvoeging van de stukken. Ik heb veel hoop dat zij iets kunnen doen.
Met vriendelijke groeten,
Uw dw
J. Wolff “

Rothe wist in 1937 via Zwitserland naar de Verenigde Staten te ontkomen.

Wolff is ook bestuurlijk actief binnen de universiteit. Als voorzitter van de faculteit Wis- en Natuurkunde voert hij voor de faculteit in 1939 de correspondentie met Werner Heisenberg in Leipzig, Nobelprijswinnaar natuurkunde in 1932. De faculteit had hem het professoraat in de theoretische fysica aangeboden, dat vrijgekomen was wegens het vertrek van hoogleraar Uhlenbeck naar de Verenigde Staten. Wolff deelt Curatoren 27 september 1939 de reactie van Heisenberg mee: Heisenberg is vereerd met het aanbod, maar de oorlog brengt voor hem verplichtingen mee. Daardoor, zo citeert Wolff Heisenbergs reactie van 26 september, kan hij nu geen antwoord geven op een vraag die betrekking heeft op een situatie die pas na de oorlog speelt. Wolff laat Curatoren weten: “De Faculteit, hoezeer ook gesteld op de aanwinst van zulk een enorme kracht, kan zich onmogelijk schikken in het wachten op het einde van den oorlog, daar de duur niet geschat kan worden.” Pas in 1942 had Utrecht met de benoeming van Léon Rosenfeld weer een hoogelraar theoretische fysica. ZBroeyer (2014, pp. 24-26) geeft meer detail, waaronder een facsimile van de brief van Wolff aan Curatoren.

Naast zijn academische werk is Wolff vanaf 1 januari 1932 wiskundig adviseur bij de Onderlinge Levens Verzekeringmaatschappij ‘Eigen Hulp’ (OLVEH), die in Den Haag gevestigd is en die in 1968 en 1983 via fusies in Aegon zal opgaan.

Onderwijs en onderzoek

De universiteiten hebben in het Interbellum twee hoogleraren, een voor analyse en een voor de meetkundige vakken. Zowel in Groningen als in Utrecht geeft Wolff de analyse-vakken, en hij vat dat ruim op. Over de vakken die hij in 1922-1923, zijn eerste Utrechtse collegejaar, geeft hebben we geen bronnen. Over het tweede jaar zijn de gegevens zeer informatief, zoals blijkt uit de inhoud van de colleges in het jaarverslag van de universiteit aan de ministers van binnenlandse zaken en van


Inhoud van de door Wolff in het collegejaar 1923-1924 gegeven colleges (bron: Utrechts Archief, Jaar- verslag ...

onderwijs. Zoals uit het overzicht blijkt, gaat het om gevorderde vakken. Lector H.B.A. Bockwinkel gaf vanaf 1919 het inleidend onderwijs in de differentiaal- en integraalrekening. Een jaar later (1924-1925) geeft Wolff, waarschijnlijk net als in 1922-1923 toen hij met zijn onderwijs begon, ook basiscolleges (integraalrekening in samenhang met maattheorie, differentiaal- vergelijkingen en functietheorie). Nieuw dat jaar is de invoering van een colloquium samen met zijn collega Jan de Vries, twee uur op maandagmiddag, zoals hij dat ook in Groningen had gedaan samen met Barrau. Nadere detaillering is mogelijk dankzij collegedictaten van studenten (C. Visser over 1929-1931, G. Röhrman over 1932-1936 en R. Lijdsman over 1940). Daaruit blijkt dat Wolff in het kader van zijn Capita Selecta een rijke schakering aan onderwerpen behandelde (onder meer de priemgetalverdeling, het continuüm, Fourierreeksen, Lebesgue-integratie en gehele functies). Bijna alle dictaten bevatten afgeronde, samenhangende theorie. Een enkele keer staat er een verwijzing naar een boek, maar het is duidelijk dat de studenten de stof volledig door hun docent aangereikt kregen.

Bovengenoemde Kees Visser verdient nadere beschouwing omdat hij zijn studie bij Wolff tot en met de promotie in 1935 voortzette. Een serie brieven van promotor aan promovendus toont Wolff als een betrokken coach, die zich niet alleen met de wiskundige ontwikkeling van zijn student bemoeit maar ook oog en inzet heeft voor diens maatschappelijke situatie. Wolff, die zich tot Visser richt als “Amice”, voorziet hem van waardevolle contacten. Via Émile Borel publiceert Visser al in 1931 en 1934 in de Comptes Rendus van de Parijse Académie, een tijdschrift waarin Wolff zelf ook regelmatig publiceerde. Ook introduceert Wolff Visser bij Dirk Jan Struik, die vanaf eind 1934 tot juli 1935 in Nederland is. Stuur Struik “afdrukjes” van je laatste artikel in de Comptes Rendus, schrijft hij. En hij zet Visser op het spoor van een Rockefeller Fellowship waarmee Visser na zijn promotie (23 september 1935) een jaar naar de Verenigde Staten kan. In de aanloop daar naartoe geeft Wolff op 20 maart 1935 in telegramstijl een hint van Struik door om in verband met het verkrijgen van het Fellowship overdrukken te sturen aan de Harvard-professoren Birkhoff en Walsh. Maar voor de zekerheid is er ook een tweede tip: “Vacature te Tiel aanstaande. Oproep zal spoedig komen. Houd die in de gaten.” Visser, die na zijn afstuderen in het voorjaar van 1934 hospiteerde en een zieke collega verving aan de Rijks HBS in Dordrecht, was op zoek naar een eigen aanstelling als leraar. Dit thema komt in de brieven van Wolff regelmatig voor, waarbij Wolff ook aanbiedt om desgewenst referenties te geven. De laatste brief dateert van 21 augustus 1937. Visser is dan al weer een jaar terug uit de Verenigde Staten en werkt als wiskundeleraar in Dordrecht. Wolff feliciteert hem met zijn huwelijk. De gelukwens komt te laat “door de tijdelijke verhuizing Utrecht — Scheveningen”. En met zijn kenmerkende belangstelling voegt Wolff toe: “Als slecht krantenlezer weet ik niets van een al- of niet-benoeming te Dordrecht. Het zou mij zeer verheugen als die plaats je niet ontsnapt mocht zijn.”

De plaatsen zijn Visser niet ontsnapt. Na tien jaar leraar te zijn geweest in Dordrecht werd hij in 1946 hoogleraar in Delft en van 1956 tot 1976 in Leiden.

De ruim honderd publicaties van Wolff tonen grote veelzijdigheid als onderzoeker. Vanaf het begin van zijn loopbaan houdt hij zich naast analyse en functietheorie, het zwaartepunt in zijn leeropdracht, bezig met onderwerpen als meetkunde, grondslagen en de verbinding met de fysica. Zijn proefschrift over Dynamen, beschouwd als duale vectoren (1907) en de beantwoording van een prijsvraag van het Wiskundig Genootschap (1915) zijn voorbeelden van het laatste. Een dynaam is een krachtenstelsel. Het heeft dezelfde wiskundige beschrijving als een schroef, en wordt door een “duaal getal” gegeven, een tweetal getallen waarvan het eerste de hoeksnelheid en het tweede de translatie langs de as weergeeft. Deze duale getallen zijn te indentificeren met de complexe getallen. Wolff gebruikt de dynamen onder meer voor toepassingen in de meetkunde en de mechanica. Zijn redes in Amsterdam, Groningen en Utrecht geven blijk van zijn brede interesse. In Amsterdam (1916) behandelt Wolff de nieuwere onderzoekingen op het gebied van de algebraïsche oppervlakken. Na een historische inleiding over de analogie van krommen en oppervlakken sinds Leibniz schetst hij de verschillende benaderingen van oppervlakken in de afgelopen vijftig jaar. Op de basis die Clebsch en Max Noether legden werkten vooral Franse wiskundigen door met transcendente methoden, terwijl de Italianen, zoals Castelnuovo en Enriques, algebraïsche methoden toepasten. Wolff benadrukt aan het eind zelf de breedte van het onderwerp. Algebraïsche oppervlakken, zegt hij, zijn het waard “te worden bestudeerd door wiskundigen van verschillende richting en aanleg. De analyst heeft in deze werkplaats even goed als de geometer gelegenheid tot ontplooiing van zijn talenten, ...” Het onderscheid dat hij hier maakt tussen analyticus en meetkundige correspondeert met de indeling van het universitaire onderwijs van die tijd: enerzijds is er een leerstoel voor reële en complexe analyse en hogere algebra, anderzijds voor de verschillende deelgebieden van de meetkunde. In zijn Groningse oratie (1917) over complexe getallenstelsels bespreekt Wolff verschillende uitbreidingen van de complexe getallen, zoals de quaternionen van Hamilton, in verband met de fysische toepassingen. Bij de theorievorming spelen argumenten uit de groepentheorie een belangrijke rol. Ook nu geeft Wolff een overzicht van de recente wetenschappelijke literatuur. Het onderwerp van de Utrechtse oratie (1922) wijkt opvallend af van de vorige twee. Wolff kiest voor de grondslagen van de wiskunde. De axiomatiek van Hilbert en het intuïtionisme, dat Brouwer daar als alternatief naast plaatste, dwingen de wiskundigen te kiezen hoe ze hun begrippen zoals bijvoorbeeld het continuüm wilden invoeren. Het helpt niet om, zoals Hilbert doet, de intuïtionisten van een “Putschversuch” te beschuldigen, zegt Wolff, die vervolgt: “Rustverstoring moge den hervormers verweten worden, erkend zij dat zij niet alleen afbreken, maar ook opbouwen: BROUWER biedt ons een nieuwe verzamelingenleer aan, al zal het (...) eenigen tijd duren, eer ze gemeengoed van de wiskundigen is.” Hij besluit zijn beschouwing over het subjectieve in de wiskunde met de woorden

“Het gaat er dus om, wat Wiskunde is.
De strijd zal nog lang voortduren.”

In de boeken en tijdschriftartikelen van Wolff en in de onderwerpen die hij zijn promovendi laat bewerken ligt het zwaartepunt bij de analyse.

Wolff schreef een leerboek over analytische meetkunde (1922) en een beknopt boek over Fourier'sche Reihen mit Aufgaben (1931). Een hoofdstuk van zijn hand over dubbelintegralen besluit het boek Kollege integraalrekening ... van H.B.A. Bockwinkel (1932). Een overzicht van de Lebesgue- integratie in een serie van drie artikelen van in totaal 38 pagina’s (1935) sluit hier goed bij aan.

Het onderzoekswerk van Wolff op het gebied van de analyse is vaak in Franse stijl, in combinatie met precieze afschattingen volgens Landau. De meeste artikelen van zijn hand verschenen in het Frans, in de tijdschriften van de Parijse Académie des Sciences en het Bulletin van de Société Mathematique de France. Wolff woonde in Parijs enkele malen (1924, 1937) een zitting van de Académie bij. Zijn bijdragen werden meestal door Émile Borel ingebracht. In twee gevallen liet Borel op een artikel van Wolff een lovend commentaar volgen, zoals in 1923 bij een artikel over niet meetbare verzamelingen. Borel heeft het over “le raisonnement fort ingénieux du savant professeur d'Utrecht”, die een opmerkelijke generalisatie geeft van de methode van Hausdorff. Ook met Arnaud Denjoy, die van 1917 tot 1922 aan de Utrechtse universiteit de analyse onderwees en in Utrecht de voorganger van Wolff was, onderhield Wolff goede contacten. De twee publiceerden in 1933 een gemeenschappelijk artikel, nog steeds actueel is de stelling van Denjoy-Wolff (1926) en in het eerste van drie artikelen over reeksen van de vorm $\sum\dfrac{A_k}{z-\alpha_k}$ deelt Wolff mee dat het zijn oorsprong vond in een gesprek met Denjoy. In de complexe functietheorie zijn meer stellingen waaraan de naam Wolff verbonden is, zoals de stelling van Julia-Wolff-Carathéodory, die in 1920 gepostuleerd werd door Julia en bewezen door Wolff (1926) en Carathéodory (1929). De stelling hangt samen met het lemma van Schwarz over een analytische functie $f$ in de open eenheidscirkel. Wolff breidde in 1926 deze stelling uit tot de rand van de eenheidscirkel. Deze uitbreiding wordt het lemma van Schwarz-Wolff genoemd.

Verschillende artikelen van Wolff ontstonden als congresbijdragen. In Nederland nam hij, ook als mede-organisator, deel aan de sectie wiskunde van de Nederlandse natuur- en geneeskundige congressen en twee maal bezocht hij het vierjaarlijkse internationale wiskundecongres, in 1924 in Toronto en in 1932 in Zürich. Over het eerste congres, van 11 tot 16 augustus, doet Wolff verslag in het Algemeen Handelsblad (3-9-1924). De Nederlandse delegatie, uitgezonden door het Wiskundig Genootschap, bestond naast Wolff en echtgenote uit de hoogleraren W. Kapteyn (Utrecht, in 1918 met emeritaat gegaan), J.A. Barrau (Groningen) en W. van der Woude en echtgenote (Leiden). Een belangrijke onderwerp in het verslag is de afwezigheid van de Duitse wiskundigen, “hetgeen moet worden toegeschreven aan de helaas nog steeds voortdurende politieke onverdraagzaamheid en wrok“, en waartegen verschillende landen waaronder Nederland bij het Conseil international des recherches protesteerden met het voorstel om deze ban op te heffen. Ook de sociale activiteiten, waaronder een bezoek aan Niagara Falls, komen aan de orde, evenals de stad Toronto en het voor Nederland ongewone karakter van de “Amerikaanse” universiteiten, die met hun residences en eetzalen de studenten kost en inwoning bieden en daarmee voor discipline zorgen. Over de deelname van Wolff aan het congres in Zürich (1932) bericht in Utrecht de aftredend rector in zijn jaarverslag. Wolff staat op de foto die fotograaf Meiner van de deelnemers maakte (nummer 185). Tijdens het congres blijkt dat een belangrijk onderdeel uit zijn bijdrage een jaar eerder ook door de Hongaars-Zweedse wiskundige Marcel Riesz gevonden was.

In Toronto besprak Wolff het werk van H. Looman, die in 1923 bij hem gepromoveerd was, en zijn bijdrage in Zürich sluit aan bij het werk over Stieltjes-integralen, waarop F. de Kok in 1932 promoveerde. De onderwerpen waaraan Wolff zijn promovendi liet werken, weerspiegelen zijn brede belangstelling. In totaal heeft hij 25 keer de doctorsbul uitgereikt, waarvan drie keer in 1918 in Groningen. Onder de gepromoveerden zijn twee vrouwen, één in Groningen en één in Utrecht. De meeste proefschriften hebben betrekking op eigenschappen van analytische functies, vooral hun voortzetting tot de rand van de open eenheidsschijf. Meetkunde, verzamelingenleer, differentiëren en integreren, sommatie van reeksen en iteratie komen elk één tot vier keer als promotieonderwerp voor. Zeven promoties krijgen het oordeel cum laude. Met promovendi Grootenboer (1932), De Kok en Vredenduin (1931) publiceert Wolff gemeenschappelijke artikelen. Veel van de gepromoveerden werden leraar of waren dat al tijdens hun onderzoek en enkele van hen hebben in het voortgezet of hoger onderwijs bekendheid gekregen: Van Haselen als schoolboekauteur, Vredenduin en Wansink om hun brede publicistische en didactische werk, De Kok als lector in Delft en Visser als hoogleraar in Delft en Leiden.

Contacten met het middelbaar onderwijs

Na zijn overstap van het middelbaar onderwijs naar de universiteit zet Wollf het contact met het M.O. op allerlei manieren voort. Vanaf 1921 tot 1931 treedt hij bijna elk jaar op als gecommitteerde bij de eindexamens hbs en gymnasium. De gecommiteerden werken in vijftallen, die een groot deel van de maand juni op verschillende scholen bij de mondelinge examens aanwezig zijn. Omdat hoogleraren in de zomermaanden niet doorbetaald krijgen, is het voor velen een welkome aanvulling op hun inkomen. Wolff treedt vanaf 1922 ook menigmaal op als gecommitteerde bij examens van de Technische Hogeschool in Delft en hij maakt van 1927 tot 1939 deel uit van de examencommissie voor de M.O. akten wiskunde (K1 en K5). In 1928 zorgt hij voor enige opschudding door op een school werk van een leerling af te keuren, terwijl de leraar/examinator het correct vindt. De leerling had $x=9$ gevonden als een van de oplossingen van de vergelijking $x+\sqrt{x}=6$. Deze oplossing is gebaseerd op de definitie van $x\to\sqrt{x}$ als tweewaardige func e. Als ${\sqrt{9}=-3}$ in orde bevonden wordt, is $x=9$ inderdaad een oplossing. Maar Wolff bevond dat niet in orde en noemde de éénwaardigheid van de wortelfunctie een “internationale conventie”. De examinator legde dit in een brief voor aan de redactie van Euclides, hetgeen leidde tot een uitvoerig artikel “Eenwaardig of meerwaardig” van redacteur Wijdenes. Deze sloeg er de Nederlandse schoolboeken op na en constateerde dat er geen eenduidige opvatting was over de één- of meerwaardigheid van $\sqrt{x}$, zelfs niet in de door hemzelf geschreven boeken. In een naschrift (1927-1928) bij het artikel van Wijdenes licht Wolff zijn standpunt toe. Hij begint met de tegenwoordig overal gehanteerde definitie “Bij het rekenen met reëele getallen definieert men $\sqrt{a}$, voor $a>0$, als het positieve getal welks kwadraat gelijk is aan a.” Van de stelling $\sqrt{ab}=\sqrt{a}\sqrt{b}$ voor $a>0$ en $b>0$ zou niets overblijven bij een dubbelzinnige definitie, stelt hij. Een gelijkteken plaatsen tussen twee uitdrukkingen heeft alleen zin als deze ondubbelzinnig zijn. In latere nummers van Euclides wordt de discussie door Schuh, Verrijp en De Vaere nog enige tijd voortgezet.

Begin jaren ’30 is Wolff lid van de commissie “Muller” van de Algemeene Vereeniging van Academisch gevormde Leeraren. In maart 1932 brengt de commissie een rapport uit met als titel “De opleiding van den leeraar” en als ondertitel “De leeraar moet ook paedagogische en didactisch geschoold zijn”. Wolff neemt in deze commissie, samen met de leden Bremekamp en Droste, een minderheidsstandpunt in. De drie stellen dat in de opleiding prioriteit moet liggen in het praktisch oefenen van het klassikaal lesgeven boven de theoretische kennis van de pedagogiek en psychologie van de puberteitsperiode. Het onderwerp blijft actueel, en in 1936 rakelt Wolff het opnieuw op. Hij reageert op een stuk in het studentenblad Vivos vocos, dat een “paedagogisch-didactische leraarsopleiding in universitair verband” wenselijk vindt. Het Vaderland van 26-1-1936 brengt zijn reactie landelijk in het nieuws:

“ Prof.dr. J. Wolff heeft er nu op geantwoord, dat nooit één enkele student hem de wensch bijv. van didactische colleges heeft kenbaar gemaakt. Durft men dat niet? Dat aan te nemen ware kwetsend. Conclusie: er zijn misschien wel eenige studenten vervuld van diens wensch, doch niet vurig genoeg om er met hun hoogleeraar over te praten. Deden ze dat, dan zou hij een college gaan geven over de didactiek der Wiskunde als volgt: als gij leeraar wordt, praepareer dan uw lessen met de allergrootste zorg, controleer het huiswerk uwer leerlingen, duld geen slordigheid, sta niet teveel te doceeren, laat de leerlingen ook in de klas flink werken, deel uw rector of directeur al uw moeilijkheden mee, en zoek overigens uw eigen methode volgens uw eigen karakter.
Het college is hiermee geëindigd. Laat u niet wijsmaken dat er nog meer is. (...) “

Het komt hem op kritische reacties te staan, meteen van de Utrechtse gymnasiumleraar en medelid van de commissie “Muller” Dr. A.D. Nathans in twee delen in het Utrechtsch Nieuwsblad en een maand later van de Haagse leraar Nederlands en Frans en polemist Dr. F.C. Dominicus in een lang artikel in De Telegraaf. Beiden zetten de opvattingen van Wolff neer als achterhaald, ongeïnformeerd en soms ook feitelijk onjuist. De volgende twee passages uit het betoog van Dominicus vatten toon en inhoud van de kritiek goed samen:

“Het is gepraat van iemand, die ondanks zijn practijk in drie verschillende typen van scholen, niet het geringste denkbeeld heeft van de moeilijkheden, welke zich daar kunnen voordoen.”

en de laatste twee alinea’s

“En dit kan ik hem tenslotte wel zeggen, dat de leeraren, die ik ken, voor verreweg het grootste deel ten volle overtuigd zijn, dat een goede opleiding nuttig en noodig is. Wil men daarvan een caricatuur maken en ze voorstellen als een theoretisch college in geschiedenis van psychologie en paedagogiek, dan is dit natuurlijk een klein kunstje. Maar zóó zien de leeraren, die in de levende M[iddelbare]S[chool] staan, het niet. Laat prof. Wolff zich daarvan eerst eens op de hoogte stellen en dan zal hij bemerken, dat er nog wel wat anders te verrichten is dan eenige huismiddeltjes aan de hand te doen.”

De Telegraaf publiceert hierna nog een reactie van Wolff (12-3-1936) , een weerwoord van Dominicus (17-3-1936) en een “woord van protest ... tegen de wijze, waarop dr. Dominicus de mening van een ander ... tracht te bestrijden” van logicus en Utrechts privaat-docent Dr. G. F. C. Griss (1-4-1936). De discussie over de universitaire lerarenopleiding zal met telkens nieuwe opponenten nog vele malen terugkomen.

In het archief van Tatiana van Aardenne-Ehrenfest bevindt zich een opmerkelijke brief, die verband houdt met het bovenstaande. De brief, gedateerd Ede 6-2-1936, is van de hand van Carel (C.C.J.) de Ridder. De Ridder (Amsterdam 1881 - Ede 1962) had in Amsterdam rechten gestudeerd en was in 1918 op stellingen gepromoveerd. Daarna studeerde hij in Leiden wis- en natuurkunde en slaagde in december 1925 voor het doctoraal examen. Hij was een ouderejaars studiegenoot van Tatiana Ehrenfest (Wenen 1905 - Dordrecht 1984), die in januari 1928 in Leiden afstudeerde in de wis- en natuurkunde. Na excuses gemaakt te hebben voor slordigheid en domheid in een verder niet bekende zaak schrijft hij:

“ Gisteren kwam toevallig Prof. Wolff in Utrecht in de Wisk. Leesk.[amer], toen ik er was. Er waren verder geen menschen aanwezig, we konden wel een uur samen praten. Ik vond hem erg aardig. Eerst over de krantenartikels (die daar lagen) waarin hij aangevallen wordt omdat hij gezegd heeft dat aparte leeraarsopleiding aan de Universiteit voor wisk., enz. larie is. Het was niet voor de algemeene pers bestemd geweest, wat hij aan een studentenblad had geschreven, — “maar nu”, zei hij, “krijg ik last van vlooien en muggen.”
Daarna over sommen. (...)”

Er volgt een bewijs van de Stelling van Steiner-Lehmus, zoals Wolff dat door een Haagse gymnasiumleerling had horen geven. Dan gaat De Ridder verder:

“ Daarna zei ik dat ik jou het vraagstuk van v.d. Corput had opgegeven, maar slecht en onvolledig. En ik vroeg hem of hij het voor je volledig wilde opschrijven. Daartoe was hij dadelijk bereid (zie bijgaand het origineel, ik heb copie), maar zei nog even: is die dame misschien intuïtioniste? Ik heb geantwoord dat ik dacht van niet. — Verkeerd? — “

De Ridder besluit met enkele familiezaken bestemd voor Gijs, Tatiana’s echtgenoot.

De brief is opmerkelijk door het levendige beeld dat De Ridder van Wolff schetst. Maar hij wordt nog opmerkelijker door het feit dat het laatste artikel van Wolff, in 1944 in het Zwitserse tijdschrift Commentarii Mathematici Helvetici, gepubliceerd werd met Tatiana van Aardenne - Ehrenfest als eerste auteur. De wegen van Wolff en Mevrouw van Aardenne hebben elkaar ongetwijfeld eerder gekruist, bijvoorbeeld in hun bezigheden als gecommitteerde, maar deze brief heeft de afstand tussen de twee aanzienlijk teruggebracht.

Een rijke bron van informatie over de wiskundige onderwerpen waarmee Wolff zich in de oorlogsjaren bezighoudt, is het dagboek van Otto Blumenthal, waarover hieronder meer.

De oorlog

Een beknopt overzicht van het leven van Julius Wolff en zijn gezin in de oorlog is te vinden in het boek over Het Utrechtse universitaire verzet ... 1940-1945 van Frits Broeyer (2014). De nu volgende beschrijving gaat terug op de primaire bronnen, die zich voornamelijk in het Utrechtse gemeentearchief bevinden.


Afschrift van de voorgedrukte ontslagbrief (Utrecht, Utrechts Archief, Stukken
betreffende de tenuitvoerlegging van de zogeheten ariërparagraaf ..., toegang 59 inv.nr 532

De inval van de Duitsers op 10 mei 1940 grijpt het gezin Wolff direct heftig aan. Louis Wolff, de oudste zoon, is dan in Groningen, waar hij een assistentschap heeft bij de Joodse hoogleraar en specialist cardiologie L. Polak Daniëls. Louis staat op het punt om zijn artsexamen te doen; hij had in 1935 in Utrecht kandidaatsexamen geneeskunde gedaan en zich in 1939 in Groningen gemeld. Als Louis, die zelf hartklachten heeft, van de Duitse inval hoort, vertrekt hij halsoverkop met de motor uit Groningen naar Amsterdam, wellicht in de hoop nog naar Engeland te kunnen komen. Wanneer hij precies vertrekt en welke route hij volgt, is onduidelijk. De tocht wordt hem noodlottig, want zijn hart verdraagt spanning en inspanning niet. Louis overlijdt op 12 mei 1940 in Amsterdam. Jules Wolff, die lid is van de Senatus Contractus, het dagelijks bestuur van de Utrechtse universiteit, dat in de eerste oorlogsdagen elke dag vergadert, is pas op 17 mei weer aanwezig. Het droeve nieuws is dan in Utrecht bekend, en de rector condoleert hem namens de Senaat met het verlies dat hem “in zijn familie dezer dagen heeft getroffen”. Wolff werkt door, onder meer aan de afronding van de promotie van Jan van Kuik op 3 juni 1940, en op 30 september schrijft zijn zoon Ernst zich in als student wis- en natuurkunde, nadat hij vanaf 1938 aan de TH had gestudeerd. Op 23 november 1940 ontheffen de universiteiten onder dwang de Joodse hoogleraren van hun functie, hetgeen het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in een voorgedrukte brief aan Wolff laat weten. Op 21 februari 1941 wordt de ontheffing omgezet in ontslag. en het “voorloopig in het genot blijven van hunne wedden” komt daarna neer op een vermindering van het inkomen in twee stappen tot 70%. In Utrecht treft dat naast Wolff zijn collega’s Ornstein en Roos en enkele assistenten. Bij de Haagse verzekeraar OLVEH gebeurt hetzelfde. Wolff staat op 11 juni 1940 voor het laatst als wiskundig adviseur vermeld. Ook het Nieuw Archief voor Wiskunde, dat in 1938 enkele nieuwe redactieleden had aangetrokken, onder wie Wolff en David van Dantzig, vermeldt hun namen in het volgende deel, dat in 1943 verschijnt, niet meer. Het tijdschrift Mathematica B en de KNAW blijven tot in 1942 bijdragen van Wolff opnemen. Want na het ontslag bij de universiteit blijft Wolff intensief publiceren, misschien wel intensiever dan voorheen. Bij de KNAW is het Van der Corput die tot aan de zitting van 30 mei 1942 bijdragen van Wolff blijft inbrengen.

In de eerste oorlogsjaren ontstaat een intensief contact tussen Wolff en zijn Duitse collega Otto Blumenthal (1876-1944), die in 1933 als hoogleraar aan de Technische Hogeschool Aken ontslagen was en in juli 1939 met zijn vrouw Mali naar Nederland emigreerde. Blumenthal had al in april 1939 uit Aken per brief contact gezocht met Wolff, die snel en positief reageerde. Wolff was op het Utrechtse station toen de Blumenthals uit Aken aankwamen. Na eerste opvang in de buitenplaats Zuylenveld, in het tegenwoordige Utrecht-Noord, woonden de Blumenthals van oktober 1939 tot september 1940 in Delft, waarna ze naar Utrecht terugkeerden en daar achtereenvolgend op acht adressen woonden, de meeste daarvan in de omgeving van de Stadhouderslaan. Wolff introduceert Blumenthal in de Utrechtse wiskundige kringen. Hij neemt hem mee naar de Wiskundige Leeszaal, en Blumenthal woont colleges van Barrau en Wolff bij. Blumenthal noteert daarover 11 november 1940: “ ‘s Ochtends in het college bij Wolff, die zeer indringend en eenvoudig onderwijst en veel door de studenten (steeds dezelfde) laat uitwerken.” Na het ontslag van Wolff, twee weken later, besluiten Wolff en Blumenthal om samen elke week een colloquium te houden, voor het eerst op 16 december 1940. Ze houden thuis voordrachten voor elkaar. Meestal spreekt een van hen, soms spreken ze ook allebei, waarbij ze een grote verscheidenheid aan onderwerpen behandelen, zowel over eigen onderzoek als over recente publicaties. Een overzicht van de onderwerpen waarover Wolff spreekt volgt hieronder. Op 8 december 1941 vieren ze met sigaren dat het colloquium in het eerste jaar slechts vijf keer uitgevallen is.

Het leven wordt door de maatregelen van de bezetter steeds zwaarder. Niets is meer vanzelfsprekend. De Wiskundige Leeszaal wordt eind oktober 1941 verboden terrein. Blumenthal noteert: “Dat treft mij zeer.” Wolff had zich in de laatste weken van oktober zeer gestoord aan het feit dat zijn zoon Ernst uit de leeszaal verwijderd was en dat “de Wisk. Leeszaal misbruikt wordt voor alles behalve Wiskunde”. De universiteitsbibliothecaris wijst hem 31 oktober 1941 op de “bekendmaking” dat gebruik van de bibliotheek voor Joden verboden is. Dit is ook “op het gebouw der Studiezalen van toepassing”, schrijft hij. Alle afstanden binnen Utrecht moeten te voet worden afgelegd, en woonruimte kan op zeer korte termijn gevorderd worden. Dat treft niet alleen de Blumenthals bij herhaling, ook het gezin Wolff “muss aus seinem Haus”, zoals Blumenthal 16 mei 1942 schrijft. Van 10 juni tot 17 augustus 1942 wonen ze in de Prof. Wentlaan 17, in de nieuwe wijk Tuindorp, destijds gemeente Maartensdijk. Het wordt steeds lastiger om het colloquium vol te houden, zeker als mevrouw Wolff in juli 1942 met glaucoom opgenomen en geopereerd wordt in het Ooglijdersgasthuis. De operatie mislukt. Op 3 augustus 1942 schrijft Blumenthal: “ ’s Middags eindelijk weer colloquium, maar onbevredigend, bijna uitsluitend zitten praten.” Een week later valt het colloquium weer uit, omdat het huis waarin het gezin Wolff woont in beslag genomen is en Wolff op zoek is naar nieuwe woonruimte. Die vindt het gezin in een rusthuis, Maliesingel 36, maar niet voor lang. Maandag 19 oktober 1942 vindt ’s middags het laatste colloquium plaats. Twee dagen later vertrekt Wolff “met zijn hele rusthuis, dat in beslag genomen is, naar Amsterdam. Hij draagt nog een keer mooi voor. Het eind van het colloquium raakt me zeer, ook al kon ik er de laatste weken niets meer voor doen. Wolff naar huis begeleid, daar M[ali Blumenthal] getroffen, die bij Mevr. Wolff was.” Zo beschrijft Otto Blumenthal het einde van zijn samenwerking met Julius Wolff. De samenwerking heeft in 1942 een gemeenschappelijk overzichtsartikel in het tijdschrift Mathematica B voortgebracht, over het zogenaamde isoperimetrische probleem, dat Wolff en Blumenthal enkele keren in het colloquium behandeld hadden. Mathematica B werd uitgegeven in Zutphen en was bestemd voor studenten die zich op MO- en HO-examens voorbereidden.

Uit het dagboek blijkt dat Wolff in het colloquium gesproken heeft over de angulaire afgeleide, geometrische optica, het lemma van Fatou, convergentie van de rij $\sum\dfrac{A_k}{z-\alpha_k}$, gamma-functies,

conforme afbeeldingen, een verbetering van een van zijn artikelen in de Comptes Rendus van de Parijse Academie, de stelling van Fatou-Riesz over randwaarden, meervoudige integratie, integratie van begrensde rijen van functies volgens Osgood, een verbetering van een stelling van Denjoy, het principe van Phragmén-Lindelöf, univalentie op de rand van een gebied, criteria waaronder een gegeven vlakkenbundel tot een drievoudig orthogonale bundel uitgebreid kan worden, werk van Jacqueline Ferrand over benadering in de omgeving van een randpunt (begin 1942 ook onderwerp van een artikel van Wolff), het bereik van Taylorpolynomen op de convergentiecirkel, benadering van de afgeleide op de rand van een gebied, inwendige grensverzamelingen, de rotaties van een kreeftenpoot, een meetkundige stelling van Ahlfors, het bewijs van Ahlfors voor een stelling van Cartan, en op 12 oktober 1942 over een ‘idiote’ stelling van Ahlfors. Een week later houden Wolff en Blumenthal hun laatste colloquium. De onderwerpen waarover Blumenthal sprak of waarvan niet duidelijk is wie van de twee erover sprak, zijn hier niet vermeld. Dat Wolff en Blumenthal met zulke schaarse middelen zo’n breedte en opbrengst wisten te bereiken is meer dan indrukwekkend.

Na de verhuizing van Wolff naar Amsterdam wisselen Wolff en Blumenthal nog enkele kaarten en brieven. Op 9 december 1942 laat Wolff weten dat het hem in Amsterdam goed gaat. In Amsterdam woont het gezin Wolff op het adres Cliostraat 37ii, waar ze intrekken bij het gezin van Sally Gersons, een jongere broer van Wolffs echtgenote. Het zal vol geweest zijn met twee gezinnen van elk drie personen. Vanaf de Cliostraat informeert Wolff op 27 januari 1943 bij Freudenthal of die een door Wolff geformuleerde wiskundige stelling kent (het is deze stelling die bewezen wordt in het gemeenschappelijke artikel met Tatiana van Aardenne - Ehrenfest, het laatste artikel van Wolff).

Wolff in contact met Rector Magnificus Van Vuuren

De slechter wordende omstandigheden in de jaren 1942 en 1943 worden scherp weerspiegeld in de briefwisseling van Wolff met de Utrechtse Rector Magnificus, de sociaal-geograaf Prof.dr. Louis van Vuuren (1873-1951). In de zomer van 1942 beseft Wolff hoe ernstig de situatie is, en hij zet alle middelen in om een beschermde status te krijgen, zodat zijn gezin en hijzelf niet voor “werkverruiming” naar Duitsland of Polen zouden hoeven te gaan. Wolff, die dan zijn huis aan de Stadhouderslaan al heeft moeten verlaten en met zijn vrouw inwoont in Tuindorp, begint met het inschakelen van Barrau. Op 27 juli 1942 vraagt hij Barrau per brief om hulp. Hij wil kunnen aantonen dat hij vanaf de ontheffing van zijn werkzaamheden in november 1940 onafgebroken wetenschap heeft bedreven. Zijn publicaties vanaf 1940 tonen dat aan, maar hij beschikt niet meer over overdrukken (“afdrukjes”):

“Een goed gezinde ambtenaar van het “Gewestelijk Arbeidsbureau” [waar Wolff die ochtend gekeurd was voor de ‘werkverruiming’] raadde mij aan, bij dat bureau een verzoek om ontheffing van uitzending in te dienen, met bewijzen dat mijn leven met wiskunde totaal gevuld wordt. Nu liggen de afdrukjes in een kist, die tusschen en onder andere kisten bij een verhuizer opgeslagen zijn, dus onbereikbaar, evenals het staatsexamendiploma van Ernst. Ik kom nu met het volgende verzoek:
Leen mij (je krijgt ze terug) de afdrukjes vanaf 1940 (begint ongeveer met een C.R. [Comptes Rendus van de Parijse academie] noot getiteld zoiets als “itération d’une représentation conforme”, daarna Ak. verhandelingen [in de Proceedings van de KNAW] en een paar afdrukjes uit “Mathematica”. Totaal circa 12 afdrukjes.
Kun je, als Voorzitter van de Faculteit, een verklaring bijvoegen dat ik sedert mijn ontheffing gestadig wetensch. arbeid verricht, met een groot aantal wetenschappelijke verhandelingen als resultaat (in de diss. van Mlle Ferrand van 12 Juni ’42 word ik op vele bladzijden prijzend geciteerd), dan zal mij dat zeer welkom zijn. Bij het minste bezwaar echter laat je dat achterwege.
Er is wel veel haast bij: uit Utrecht zijn al verscheidene joodsche jongelui en gezinshoofden naar de “werkverruiming” getransporteerd. Wel te verstaan: deze keuring geldt uitsluitend Joden.
Misschien kun je ook van Vuuren inlichten: de bezettingsoverheid heeft verklaard, dat de {+ontslagen joden}+ verder met rust zouden worden gelaten.
Voor je moeite mijn dank bij voorbaat.
Vale en houd moed.
Beste groeten van gezin tot gezin,
t.t. J. Wolff. ” [t.t.: totus tuus, geheel de Uwe]

Eén dag later al stelt Barrau de gevraagde verklaring op, die eindigt met:

“Het zou voor de mathematische wetenschap van het grootste belang zijn, indien kon worden toegestaan, dat gezegde Dr. J. WOLFF zich ongestoord aan zijn hooge wetenschappelijke bezigheden bleef wijden.
De Hoogleraar
J.A. Barrau ”

Op 2 augustus 1942 schrijft Wolff zelf aan Van Vuuren. Het is de eerste brief uit een, gezien de omstandigheden en duur, uitgebreide correspondentie. Wolff hoopt dat Van Vuuren iets voor zijn zoon Ernst kan doen. Deze heeft wel enig houvast (een taak bij de Joodse Raad, vergunning om bij de universiteit ingeschreven te blijven, een doktersattest dat hij zware asthma heeft), maar dat lijkt Wolff onvoldoende. Hij schrijft dat hij de Joodse Raad verzocht heeft om Ernst enkele uren onderwijs te laten geven aan het Joods Lyceum. En mocht Ernst toch opgeroepen worden, dan wil collega- hoogleraar, medicus C.D. de Langen, hem in de kliniek opnemen. Wolff benadrukt hoe dringend de situatie is: “Wèl te verstaan, het gaat over transporteeren naar Polen. (...) Ik verneem dat morgen (Maandag) de oproepingen beginnen.”

Van Vuuren schrijft meteen de volgende dag (3 augustus 1942) dat hij de zaak zondagmiddag al met Barrau besproken had. Barrau zal Wolff schrijven en de gevraagde verklaring voor Ernst afgeven.

“Ik geloof niet dat er gevaar dreigt. Uit de brief van Barrau zal je blijken waarom ik dat niet geloof. Niettemin voeg ik hierbij een verklaring voor je zoon die ik hierbij insluit met een enveloppe aan zijn adres, zodat je die dadelijk na lezing kunt posten. Ik doe dat zoo omdat ook de lezing van deze verklaring je eenige geruststelling kan geven, naar ik hoop.
Met hartelijke groeten, ook aan Mevrouw Wolff”

De dag erop bedankt Wolff de rector met brief tussen hoop en vrees:

“Amice,
Groote dank voor je bemoeiingen, waardoor Ernst twee sterke wapens in handen heeft gekregen, die waarschijnlijk, op zichzelf beschouwd, hem al vrij maken; en waardoor mijn vrouw en ik heel wat zijn opgelucht, ook moreel gesterkt doordat wij telkens weer de bekrachtiging zien van wat wij al wisten, namelijk wie onze vrienden zijn. Wil onze sentimentaliteit verontschuldigen. Verdrukten worden sentimenteel als ze hulp zien, ze gaan te gronde als ze die niet zien; het eerstgenoemde onafhankelijk van het effect der hulp. We zijn in oorlog, dus sneuvelen is mogelijk.”

Hij vraagt Van Vuuren om ook dank over te brengen aan Barrau voor wat hij voor Ernst gedaan heeft. Wolff heeft vertrouwen in de Joodse Raad, die hij dag en nacht bezig ziet met goed werk. Dan volgt opeens de zin:

“Inmiddels schijnt de “manoeuvre” in Utrecht 14 dagen uitgesteld te zijn.”

En weer terug naar de Joodse Raad. Wolff vindt het verstandig dat Ernst werkt voor de Joodse Raad, want

“uitstekende afleiding en van groot voordeel, daar de overheid er bizonder op let, wie bij den J. Raad is (ik ben er ook bij, als docent, als houder van wisk. voordrachten, als lid der ->Subcommissie Ernst Cohen, Roos, Wolff, Dresden).
Het beste wenschen wij voor je vrouw en jezelf.
Hartelijke groeten,
t.t.
J Wolff ”

Deze “Subcommissie” van de Joodse Raad werkt aan de oprichting van een opleidingsinstituut voor Middelbare Akten, met Joodse docenten. Aanvankelijk wordt dit initiatief door de bezetter gedoogd, zij het dat Regierungsrat Rombach de initiatiefnemers op 20 mei 1942 via de Joodse Raad wel stelt:

“dass das von ihnen zu gruendende Institut nur fuer juedische und nicht fuer arische Schueler in Frage komme und dass es bekanntlich verboten sei, dass juedische Lehrer arische Schueler unterrichten.”

Ernst Cohen was in Utrecht emeritus hoogleraar chemie, Jacob Roos was veterinair hoogleraar fysiologie en in Utrecht tegelijk met Wolff ontheven van zijn functie, Daniël Dresden, werktuigbouw- kundig ingenieur, was van 1920 tot 1928 hoogleraar geweest in Delft. Dresden, die in Utrecht woonde, heeft als enige van het viertal de oorlog overleefd en was na de oorlog voorzitter van TNO. Een bespreking op 19 juni 1942 tussen Cohen, Dresden, Wolff en de inspecteur voor het Joodse Algemeen Vormend Onderwijs, de heer A. Bartels, levert een lijst met MO-cursussen voor elf vakken op. Bartels, lid van de Centrale Commissie voor het Joodse Onderwijs, die uitging van de Joodse Raad, heeft de coördinatie. Het doel is om in augustus 1942 met het onderwijs te beginnen, voor een begroot aantal van 120 deelnemers. Voor wiskunde hebben Freudenthal, Wolff en David van Dantzig zich bereid verklaard als docent op te treden. De situatie is in het najaar van 1942 echter zo verslechterd dat het onderwijs niet van start lijkt te zijn gegaan. Wolff ontleent aan deze onderneming van de Joodse Raad een officiële positie, die hem althans enige tijde houvast geeft. De ongunstige ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Op 15 augustus 1942, nog geen twee weken na zijn vorige brief, laat Wolff aan Van Vuuren weten dat hij volgens de Joodse Raad op 20 augustus naar Amsterdam “geëvacueerd” zal worden. Intussen is ook het huis aan de Prof. Wentlaan door de bezetter in beslag genomen en hebben zijn vrouw en hij 11 augustus woonruimte toegewezen gekregen in het “Rusthuis van dokter M.A. de Jong, Maliesingel 36, Utr.” Wolff benadrukt dat ze hierdoor van Maartensdijk, waartoe Tuindorp op dat moment behoorde, terug verhuisd zijn naar Utrecht. “We zijn dus sedert dien datum te Utrecht, en niet te Maartensdijk. Dat maakt groot verschil, omdat joden uit Utrecht nog niet ge-evacueerd worden.” Verder bespreekt hij in de brief welke instanties van de bezetter Van Vuuren zou kunnen benaderen om een goed woord voor hem te doen, en over welke schriftelijke verklaringen hij beschikt die zijn verzoek om een bescherming ondersteunen. Twee dagen later zet hij de argumenten voor een bijzondere behandeling voor Van Vuuren op een rij, ondersteund door de genoemde schriftelijke verklaringen:

  1. een overzicht van zijn loopbaan in het onderwijs, vanaf de Rijks HBS in Meppel tot zijn ontheffing als hoogleraar in november 1940 en ontslag in maart 1941, gevolgd door onafgebroken wetenschappelijk werk, waarover Barrau een verklaring heeft opgesteld. Bovendien volgt de prominente Duitse wiskundige op het gebied van conforme afbeeldingen Carathéodory zijn werk, zoals uit de bijgevoegde briefkaart (27 maart 1942) van Carathéodory aan Wolff blijkt.
  2. een overzicht van de woonsituatie. Vanaf 1922 heeft het gezin Wolff in Utrecht gewoond, met uitzondering van enkele maanden in de Prof. Wentlaan te Maartensdijk.
  3. Mevrouw Wolff lijdt sinds 1928 aan glaucoom en heeft gespecialiseerde medische zorg nodig. “Het zieke oog is bijna blind geworden.” Wolff voegt een verklaring bij van oogarts Prof. Weve, die hij samenvat met de woorden “Verhuizing kan fataal zijn.”
  4. Huisarts Dr. J.J.J. Koster schrijft rust voor. Het attest is bijgevoegd.
  5. Wolff heeft drie functies bij de Joodse Raad (in de brief van 4 augustus 1942 al uitgesplitst: docent, houder van wiskundige voordrachten, lid van de Subcommissie Middelbare Akten van de Centrale Commissie voor het Joodse Onderwijs).
  6. Dit alles en het verlies van zoon Louis in mei 1940 is volgens Wolff voldoende straf voor zijn vrouw en hem. “Moet nu deportatie er nog bij? Bovendien heeft indertijd de bezettende overheid den Rector Magn. meegedeeld, dat de in Maart ’40 [hij bedoelt 1941] ontslagen joodse hoogleraren verder met rust zouden worden gelaten.”
  7. Wolff stelt dat hij “apolitisch” is en altijd was. “zou geen tijd hebben voor andere dan wiskundige overpeinzingen. 13 werken zijn van mijn hand verschenen sedert 1940.”

Wolff besluit zijn brief met het uitspreken van de hoop dat Van Vuuren zijn vindingrijkheid wil inzetten voor Wolffs hulpbehoevende vrouw en voor hemzelf. Van Vuuren heeft de bijlagen bewaard: de verklaring van Barrau, de briefkaart van Carathéodory, verklaringen van de artsen Weve en Koster, een verklaring van de Centrale Commissie voor het Joodse Onderwijs te Amsterdam en een verslag van de bespreking over de MO-cursussen van 19 juni 1942. Een kleine week later is de dreiging bijna voelbaar. De voor 20 augustus aangekondigde evacuatie naar Amsterdam is niet doorgegaan, zo schrijft Wolff 21 augustus. Wel werd het rusthuis doorzocht:

“In den nacht van Dinsdag op Woensdag, om half 4, werd ons rusthuis doorzocht, de persoonsbewijzen gecontroleerd, en werd dokter de Jong meegenomen. Hij is naar de Gestapo in A/dam overgebracht.
2 hollandsche en 1 duitsche politieman vormden de visite. Een hollander kwam voor ons bed, rookende een sigaar, controleerde onze persoonsbewijzen en vertrok.
Met Ernst is nog steeds niets aan de hand.
Hartelijke groeten v.h.t.h. [van huis tot huis]
tt
Wolff “

De Joodse arts Martin Andries de Jong, geboren 1890 in Breda, werd op 19 oktober 1942 in Auschwitz vermoord.

Diezelfde dag volgt er een “Tweede bulletin van heden.” Wolff heeft gehoord dat zijn vrouw en hij niet op de lijst staan voor de “evacuatie uit Utrecht.” Dat kan komen door de actie van Van Vuuren, schrijft hij, maar ook door de verhuizing van Maartensdijk naar Utrecht, die wellicht “het raderwerk der bureaucratie, wat mijn geval betreft, totaal in de war heeft gestuurd. Zoo laten.” Maar hij beseft wel dat tegen personen die de oproep negeren een arrestatiebevel uitgevaardigd wordt. “Mijne<n>twegen!”$^2$ laat hij erop volgen. Tenslotte deelt hij mee dat hij gehoord heeft dat de evacuatie uit Utrecht uitgaat van de Wehrmacht, en dat in dat geval de plaatselijke commandant iets te zeggen heeft. Dat Van Vuuren in deze periode zowel bij de Nederlandse autoriteiten in Den Haag als bij de Duitse bezetter voor Wolff gepleit heeft, zal direct blijken.


$^2$ <n> vult de tekst van Wolff, die “Mijnetwegen” schrijft aan. <> zal in deze betekenis enkele keren voorkomen.

Twee dagen later, op 23 augustus 1942, volgt er een nieuw “communiqué”. Wolff heeft met de heer Sarphati van de Joodse Raad in Amsterdam gesproken, die in verband met de verhuizing eerder had geadviseerd om af te wachten. Sarphati handhaafde het advies en voegde toe:

“over eenige maanden zullen wij een lijst moeten indienen van hen, die op 20 Aug. uit Maartensdijk naar Amsterdam hebben moeten gaan. Er is dan kans, dat ik dan weer in het strijdperk moet treden.
Daarom is het raadzaam dat ik inmiddels word vrijgesteld... tenzij dat reeds het geval is...
Zoo niet, dan heb ik er een mooi wapen vandaag bijgekregen: een legitimatie als “leeraar bij den Joodschen Raad voor A/dam.” Ik zal er foto-copieën van laten maken en er je een sturen. Inderdaad hecht de bezettende overheid groote waarde aan de werkzaamheden voor de J.R.
$\\qquad$Het doet me groot genoegen, dat mijn bevinding bij den heer Sarphati volkomen overeenstemt met je telefonische meededeeling van gisterenavond.
Beste groeten,
tt
J Wolff ”

De volgende brief van Wolff aan Van Vuuren (4 septmber 1942) betreft Ernst, die gekeurd moet worden voor “werkverruiming”, een keuring die Wolff zelf op 27 juli 1942 had ondergaan. Hij vraagt of Van Vuuren stappen kan doen om te zorgen dat Ernst afgekeurd wordt, en geeft daartoe een aantal argumenten, die Ernst ook in een eigen verzoekschrift naar voren zal brengen.

De razzia’s die in heel Nederland vanaf 2 oktober 1942 enkele dagen lang plaatsvonden, doen Wolff direct op 3 oktober 1942 opnieuw schrijven, beginnend met een verwijzing naar het lied Wij leven vrij, wij leven blij:

“ Amice,
op den geheelen dier<b’>ren grond van Nederland hebben vannacht arrestaties van Joden plaats gehad. Om 11:30 werd een dame uit ons asyl Maiesingel 36 weggehaald: haar man zit in Westerbork. Daar is ze vannacht ook heen gebracht. [onderaan toegevoegd: Haar gejammer ging me door merg en been. Ik ben er nog kapot van.] Vrijwel alle Joden van Drente zijn vannacht ge-arresteerd, evenzoo Arnhem, Elden [tegenwoordig Arhem-Zuid], enz. De J. Raad deelde mij veel faits accomplis mee.
$\qquad$Nu zijn er toch wel collega’s, bijv. van Loon, Siccama, Westra (met wie ik zeer amicaal was, ook met Roels was ik amicaal) die ons (mijn vrouw, Ernst en mij) kunnen beschermen, door bij de duitschers, die ze kennen, een “goed woord” te doen?
[achter een accolade over 6 regels:] Ook zou het nuttig zijn te telegrafeeren aan de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, Adama van Scheltemaplein 1, Amsterdam met verzoek, mij telegrafisch te berichten dat op mijn legitimatiebewijs als functionaris van den Joodschen Raad een stempel komt voor “polizeilichen Schutz” (velen hebben er al een).”

Hierna herhaalt Wolff het overzicht van de gebeurtenissen, te beginnen bij de dood op 12 mei 1940 van zijn zoon Louis. Op de volgende twee pagina’s van de brief gaat hij in op de conditie van zijn vrouw:

“Juni en Juli 1942: twee zeer ernstige oogoperaties van mijn vrouw (glaucoma). Prof. Weve heeft ze verricht en verklaart schriftelijk: dat hij haar moet blijven behandelen en dat iedere opwinding, zooals verhuizing (Umzug) [en]z. voor haar fataal kan zijn. Het oog is nog zeer lijdend. Er blijft een nevel voor. Zij ziet zeer slecht. Het niet-geopereerde oog dreigt ook met glaucoma, volgens schriftelijke verklaring van Weve. Mijn vrouw is psychisch zeer gedeprimeerd, tot waanzinig toe: oorzaak: glaucoom èn de toestand.
Dit zijn in hoofdzaak de slagen die ons troffen. Daar kan hoegenaamd niets meer bij.
Kun je enkele collega’s, als voren bedoeld, snel mobiliseren, dan bij voorbaat mijn dank, die groot is, zooals je weet. Er is natuurlijk geen tijd voor schriftelijk (anders dan telegrafisch of telefonisch) werken, want vannacht herhaalt zich het spel op den ganschen nederlandschen dierb’re grond.
Ernst is in het Stads- en Ak. Ziekenhuis (bronchitis). Ik vernam bij den J. Raad dat ze ook uit de ziekenhuizen patienten oppikken.
Het spijt me zeer dat ik geen fraaier bulletin kan geven.
Met hartelijke groeten v.h.t.h. en beste wenschen voor je vrouw en jezelf
tt.
J Wolff ”

Van de vrienden onder de collega’s die Wolff in de brief noemt, werd prof.mr.dr. H.Westra (1883-1959) in 1942 (NSB-)burgemeester van Den Haag. Hij kreeg na de oorlog zes jaar gevangenisstraf. De andere drie, prof.mr. J. van Loon (1888-1975), prof.mr.dr. D.G. Rengers Hora Siccama (1876 - 1962) en prof.dr. F.M.J.A. Roels (1885 - 1962), werden in 1945 oneervol ontslagen op grond van het zuiveringsbesluit. Dit gebeurde overigens ook met rector Van Vuuren.

Dat Van Vuuren in actie gekomen is, blijkt uit de eerstvolgende brief van Wolff, van 14 oktober 1942:

“Waarde van Vuuren,
Hartelijk bedankt voor alles wat je in mijn belang gedaan hebt, waarbij ik vooral denk aan de onaangename bezoeken die je hebt afgelegd.
Verleden week vertelde Weve aan mijn vrouw, dat ik op de “Rückstelliste” sta, evenals Jordan. Maar gisteren zei Barrau, dat je het alleen maar vermoedde. Dat is dus twijfelachtig. Bovendien: zonder bewijsstuk ga ik naar Polen, tenzij mijn persoonsbewijs een stempel bevat met “bis auf weiteres freigestellt von Arbeitseinsatz”, wat niet is.
De Rückstelliste, die juist voor menschen als ik dient, wordt behandeld door Mr. de Waard, Departement van Binnenlandsche Zaken. Zou je de goedheid willen hebben, dat Dept. op te bellen, en te vragen of ik op die lijst sta, en of mijn gezin (Mevr. Betsy Wolff-Gersons geb. 12/6/79, ik 18/4/82, en Ernst 19/10/19) daar ook profijt van heeft?
Voor het geval ik er niet opsta, zou het mij aangenaam zijn, als je mij voor die lijst wilt aanbevelen (met mijn gezin).
Op je aanraden heb ik zo’n stempel “bis auf weiteres freigestellt von Arbeitsdienst” bij Mr. de Haas weer aangevraagd. Daar zal wel nul uitkomen, want 10 dagen geleden had ik er hem al over gesproken zonder resultaat. Maar terstond daarna had ik mij gewend tot Prof. D. Cohen, Voorz. Joodsche Raad A/dam. Blijkens diens schrijven van gisteren schijnt hoop te bestaan.
’t Is een rare tijd: er wordt met menschenlevens gejongleerd: Polen is de dood.
Ik ben niet eens met het gisteren door Barrau voorgedragen standpunt “een nieuwe actie is vruchteloos”, en vecht liever door, hetgeen me tot heden goed bevallen is, bijv. Ernst en ik zitten nog niet in Polen.
Kun je iets bereiken of doen bereiken wat betreft die Rückstelliste, dan mijn grooten dank bij voorbaat.
Beterschap aan je vrouw door ons allen toegewenscht!
Hartelijke groeten
Julius Wolff & gezin
Mr. M<u>rman behandelt de Rückstelliste ook. Maar de Rector Magn. heeft natuurlijk meer invloed.”

Wolff heeft de brief zo over de voor- en achterkant van het papier verdeeld dat hij op de onderste helft van de voorkant zijn 13 publicaties sinds 1940 kan noteren. Bovenaan de voorzijde heeft hij geschreven: “De lijst der publicatiën kan worden afgescheurd.” Dat laatste heeft Van Vuuren niet gedaan; de lijst is nog net met de brief verbonden, zie de bibliografie waarin de lijst is afgebeeld. De in de P.S. genoemde advocaat en procureur mr. A. Murman trad voor Wolff op, zoals blijkt uit een brief van Murman aan Wolff van 24 december 1942, die zich in de omslag “Joodsche Zaken” van Van Vuuren bevindt.

Wolff bedankt Van Vuuren in bovenstaande brief onder meer voor de “onaangename bezoeken” die hij ten behoeve van hem heeft afgelegd. Een van die bezoeken was waarschijnlijk aan Prof.dr. O.C.H. Nieschulz (1899-1980), die een voor Van Vuuren ongemakkelijke dubbelrol vervulde. Enerzijds was Otto Nieschulz als veterinair parasitoloog, vanaf 1942 als buitengewooon hoogleraar, verbonden aan de universiteit, anderzijds was hij als nazi-Duitser lid van de NSDAP en had hij binnen die partij de functie van Kreisinspektor. Of Van Vuuren in persoon of schriftelijk de zaak van Wolff bepleit heeft, valt niet na te gaan, maar in elk geval ontvangt hij een schriftelijke afwijzing (gedateerd 7 oktober 1942) van de vertegenwoordiger van de Rijkscommissaris in de provincie Utrecht, Bruno Müller-Reinert. De brief begint:

“Der Kreisinspekteur Prof.Dr.O.Nieschulz hat sich auf Ihre Bitte hin an mich gewandt, bezüglich Befreiung des Obengenannten [d.w.z. Wolff] von der Deportation.”

De twee slotzinnen zijn voldoende om de schreeuwende Nazi-propaganda die volgt te karakteriseren. Broeyer (2014, pp. 121-122) bespreekt de brief meer in detail.

“Wenn der Jude Prof. Wolff keinen Stempel in seinem Ausweis erhalten hat, dann hat das bestimmt seine Gründe.
Ich bitte Sie einzusehen, dass in dieser Zeit, wo täglich deutsche Männer, darunter auch Niederländer, in diesem jüdischen Krieg ihr Leben hingeben müssen, kein Jude ein Recht darauf hat, persönlich von den allgemeinen Massnahmen verschont zu werden.
I.[n] V.[ertretung, dwz in opdracht van Seyss-Inquart]
Müller-Reinert ”

Op zondag 18 oktober 1942 laat Wolff aan Van Vuuren weten dat hij de woensdag erna met zijn vrouw en de andere bewoners van Maliesingel 36 naar Amsterdam zal vertrekken, naar een nog onbekend adres. Hij vraagt opnieuw dringend om hulp om op de Rückstell-liste te komen, zal hier advocaat Murman over benaderen en geeft de namen door van Nederlandse ambtenaren die hierover gaan:

“Nader verneem ik dat de Secretaris-Generaal van het Dept. van Binnenlandsche Zaken, Mr.Dr. Frederiks, met Mr. de Waard en Mr. Kan daarover beslissen, en dat collega Ernst Cohen een verklaring heeft dat hij op de Rückstell-liste staat.
Daar mijn werk in binnen- en buitenland zeer gewaardeerd wordt, kom ik m.i. ook in aanmerking.
Verneem ik niets, dan zal ik mijzelf met een verzoekschrift tot dien Secretaris-Generaal wenden.
Maar de Rector Magnificus heeft meer gewicht dan ik.
Opm. het aantal joodsche professoren in Nederland is vrijwel nul; dus het aantal is geen bezwaar.
Met hartelijke groeten,
beterschap met je vrouw,
t.t.
J Wolff ”

In zijn eerste brief uit Amsterdam, 26 december 1942 vanaf het adres Cliostraat 37, deelt Wolff mee dat hij van advocaat Murman heeft begrepen dat Mr. Frederiks geen vrijstelling van tewerkstelling in het buitenland meer kan verlenen. Hij stuurt Murmans brief mee. Uit de correspondentie van Van Vuuren blijkt dat hij zelf meteen op 10 oktober 1942 bij Frederiks voor Wolff heeft gepleit. De reactie van Frederiks (4 december 1942) is identiek aan de reactie die advocaat Murman aan Wolff doorgaf. Van Vuuren wist het standpunt van Frederiks ruim twee weken eerder dan Murman, maar waarschijnlijk had hij nog geen adres van Wolff in Amsterdam. Daarnaast had hij door de ernstige ziekte van zijn vrouw grote zorgen thuis.

Frederiks was niet het laatste houvast, zoals blijkt uit het vervolg van Wolffs brief:

“Op 23/12/42 verzocht ik Prof.v.Dam, Secr. Gen. van Opvoeding, Wet. en Cultuurbesch. mij op de door hem beheerde lijst (vrijstelling van opzending naar werkkamp; analoog met lijst Frederiks, die voor mij misliep door te laat verzoek, zie inliggende brief [van Murman, JvM]) te plaatsen. Tegelijk verzocht ik Mr. Frederiks mijn dossier naar Prof. van Dam te zenden.
$\qquad$Daar ik het wel heel erg vind, dat ze mij nog onbeschermd laten rondloopen, zou ik het op prijs stellen als de Universiteit van Utrecht in dezen iets kon doen, bijv. een vleiend woord tot Prof. van Dam richten; nòg beter: er heen gaan ter snellere afdoening.
$\qquad$Uitgespeeld kan worden o.a., dat ik op 28 maart 1942 25 jaar het land als hoogleraar gediend heb en vanaf Sept. 1906 het land als wiskunde-docent diende.
$\qquad$Bij voorbaat dank en hartelijke groeten, mede van mijn vrouw, die wederom hier een oogoperatie onderging (Zeeman) met nog niet te beoordelen gevolg. Vale
J Wolff

Van Vuuren reageert 5 januari 1943:

$\qquad$Amice
$\qquad\,$De vele beslommeringen, die het Universitaire leven bedreigen en bedreigden, gevoegd bij de zware ziekte van mijn vrouw, voor wie ik geen hoop meer zie, verhinderden mij nog naar den Haag te gaan voor de bespreking met van Dam van je geval. Ik moet nu in ieder geval den 8 Januari a.s. in den Haag zijn, alwaar ik ontboden ben en zal dan trachten een en ander te bespreken.
m.vr.gr. voor U beiden ”

De echtgenote van Van Vuuren, Mw. Van Vuuren - van Langen, overleed 9 januari 1943, 70 jaar oud. Hoe het contact tussen Van Vuuren en Van Dam in deze periode verlopen is, is in de correspondentie niet na te gaan, maar de brief die Wolff 15 januari 1943 aan Van Vuuren schrijft, duidt op invloed van Van Vuuren. Wolff schrijft dat hij van Van Dam twee brieven heeft gehad, gedateerd op 13 januari 1943, een Nederlands- en een Duitstalige, waarin staat dat de “GeneralKommissar zur besonderen Verwendung” zijn aangelegenheid welwillend overweegt. Wolff dankt Van Vuuren voor de moeite die hij voor hem gedaan heeft, en die reeds succes heeft. De brief eindigt met: “De rest komt vanzelf.” Het lijkt goed te gaan, want op 8 februari 1943 deelt Wolff mee dat hij zijn nummer op de Van Dam lijst heeft ontvangen, en dat zijn vrouw daarmee “automatisch geschützt” is. Dat geldt nog niet voor Ernst en daarom, zo schrijft hij, heeft hij Van Dam gevraagd om een nummer op de lijst voor Ernst. Zijn artikelen krijgt hij blijkbaar niet meer in Nederland gepubliceerd: “Ik stuur mijn artikelen tegenwoordig naar de Commentarii Math. Helv.” (zie de bibliografie). Hij eindigt met beste groeten en “veel dank voor je bemoeiingen voor mij.”

Maar het tij keert. Ernst Wolff, die met zijn ouders aan de Cliostraat woont, schrijft 8 maart 1943 aan Van Vuuren:

“Hooggeleerde Heer,
$\qquad$Hierbij deel ik U mede, dat mijn ouders op het ogenblik gevangen worden gehouden in de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, Adema van Scheltemaplein 1, Amsterdam Z.
$\qquad$Omtrent de oorzaak van de arrestatie tast ik vrijwel in het duister. Misschien kunt U zich met de autoriteiten in verbinding stellen om de invrijheidstelling van mijn ouders te bevorderen.
$\qquad$U kunt mij telefonisch bereiken ’s middags van 2 ̶ 2.30 op nummer 28296.
$\qquadU bij voorbaat dankend voor de te nemen moeite, teken ik met de meeste
hoogachting,
Ernst Wolff [handtekening en naam] ”

Van Vuuren heeft een dag later een afspraak in Den Haag om de zaak van de fysioloog H.J. Jordan te bepleiten, naar wie genealogisch onderzoek gedaan wordt dat ongunstig lijkt af te lopen. ’s Ochtends voor zijn vertrek naar Den Haag leest hij de brief van Ernst en neemt de zaak van Wolff op in de notitie die hij Van Dam zal overhandigen. De notitie begint met een verzuchting:

$\qquad$ HoogGeachte Heer van Dam,
Weinig had ik kunnen vermoeden dat ik U reeds zo spoedig weer moest lastig vallen. Er zijn twee gevallen die ik in Uwe aandacht meen te moeten aanbevelen al weet ik dat het U wel evenals mij zal gaan, nl. dat het wel eens TE veel kan worden, wat men in deze dagen van ons vergt en vooral op geen enkele logische grondslag verwachten kan. ”

Dan volgt eerst zijn pleidooi voor Jordan, waarna hij vervolgt:

$\qquad$II. Hedenmorgen kreeg ik een brief van Ernst Wolff den begaafden zoon van Prof.Dr.J.Wolff, die al zo gelukkig was dat hij beschermd werd, zoowel door zijn functie bij den Jodenraad in Utrecht, als door de lijst waarop hij door U geplaatst was, en die nu met zijn vrouw wordt vastgehouden in de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, Adema van Scheltemaplein 1, Amsterdam Z. Mevrouw Wolff lijdt zeer ernstig aan een gevaarlijke oogziekte (glaucoom) waarvoor zij hier reeds door Weve geopereerd werd, helaas zonder veel succes en is psychisch zeer overspannen. Ik vrees van deze arrestatie inderdaad ZEER ernstige gevolgen zal hebben. Moge gij de kracht en de weg kunnen vinden iets voor deze beide ongelukkige menschen te doen. Ik zeide het zooeven, onze machteloosheid dreigt de spanningen voor ons zelf haast te groot te doen worden! Ik weet echter dat gij nietszult nalaten wat hier hulpe bieden kan.
Met de verzekering mijner gevoelens van
Hoogachting en Onderscheiding
De rector magnificus
L. van Vuuren [handtekening] ”

Wolff en echtgenote worden 11 maart 1943 in Westerbork ingeschreven, waar ze in barak 65 verblijven. Ernst geeft de nieuwe situatie op 16 maart 1943 aan Van Vuuren door. Het stelt hem gerust dat dit geen zogenaamde strafbarak is. Er wordt van alle kanten geprobeerd om zijn ouders weer uit Westerbork vrij te krijgen, maar “men is wel algemeen van meening, dat er nog wel eenige tijd overheen zal gaan, eer het zover is.” Hij besluit met de vraag “Is U soms iets bekend omtrent eventueele activiteit van Prof. van Dam? Ik heb nog niets van hem gehoord.”

Van Vuuren antwoordt per omgaande (17 maart 1943). Ik heb de zaak direct aan Van Dam in handen heeft gegeven, schrijft hij. Die heeft toegezegd zo spoedig mogelijk maatregelen te zullen nemen. Dan volgt er een opmerkelijke zin:

“Hij gaf mij alleen zijn verbazing te kennen, dat je Vader niet naar Barneveld had willen gaan. Laten we hopen, dat Van Dam toch iets bereiken kan.”

Misschien heeft Wolff gedacht dat de bescherming van de Van Dam lijst zo ver ging dat zijn vrouw en hij niet uit Amsterdam hoefde te vertrekken, ook niet naar Barneveld, en zijn ze daarom naar Westerbork overgebracht. En Ernst Wolff zelf? Hij wordt 31 maart 1943, twee weken na zijn brief aan Van Vuuren, naar Barneveld overgebracht.

Van 11 maart tot 18 mei 1943 verblijven Jules en Betsie Wolff in Westerbork ... om 18 mei alsnog naar het “Joodsch Tehuis” in Barneveld overgeplaatst te worden. Wolff stuurt die dag meteen een adreswijziging aan Van Vuuren, die op 21 mei 1943 opgelucht antwoordt:

$\qquad$ Het was voor mij een heele opluchting toen ik hedenmorgen je adresverandering ontving. Je begrijpt hoe het mij te moede was, toen Ernst mij uit Amsterdam telefoneerde, en ik sedert dien niets meer hoorde dan je adresverandering naar Westerbork. Je zoudt mij een groot genoegen kunnen doen, door mij te melden, of toen jij uit Westerbork vertrok Ernst Cohen daar uit Vught was aangekomen. Wij zijn nl. omtrent hem in volkomen onzekerheid.
Met hartelijke groeten ook aan Mevrouw Wolff ”

Dan volgt het laatste stuk uit de correspondentie tussen Wolff en zijn rector, een briefkaart meteen op 22 mei 1943:

“Waarde Van Vuuren,
Dank voor je brief waaruit je vreugde met onze verhuizing blijkt. Wij zijn er blij mee.
Cohen zag ik nimmer in mijn vorige verblijfplaats; ik concludeer dat hij er waarschijnlijk niet was. Gezien echter de menschenmassa, voel ik mij niet zeker.
Hartelijke groeten, ook voor de anderen te Utrecht,
tt
J. Wolff ”

De correspondentie laat twee mensen zien in hun gevecht met een macht die er andere principes op nahoudt dan zij zelf. Woord houden geldt niet meer. Wolff is lang opgewekt en strijdbaar gebleven, Van Vuuren heeft zijn collega door dik en dun gesteund. In de zuivering die na de oorlog plaatsvond zijn andere zaken (daaronder het houden van een voordracht in Duitsland in het eerste oorlogsjaar en het feit dat hij in de Senaat in maart/april 1943 de door de studenten te tekenen loyaliteits- verklaring verdedigde) hem zo zwaar aangerekend dat hij oneervol ontslagen werd, maar zijn pal staan voor Wolff mag ook gezien en gewaardeerd worden.

Woord houden geldt niet meer

In Barneveld verblijven Wolff en zijn vrouw eerst in het voornamere deel De Schaffelaar, maar na enkele dagen worden ze naar De Biezen overgebracht. Op 11 augustus 1943 tekent Michel Winkel, die ook in De Biezen verblijft, het portret van Julius Wolff (zie pagina 1). Aanvankelijk bestaat de indruk dat degenen die in Barneveld geïnterneerd zijn, gespaard blijven. Maar de bezetter denkt daar anders over en op 29 september 1943 volgt toch het transport van de gehele groep naar Westerbork. Op diezelfde dag al stuurt Wolff een adreswijziging aan dr. L.W. Nieland, die in Utrecht zijn colleges waarneemt: “Kamp Westerbork post: Hooghalen Oost Barak 85.” In Westerbork zien Wolff en Blumenthal elkaar weer, want op 28 oktober 1943 schrijft Wolff in een briefkaart aan Nieland: “Blumenthal is ook hier. Hij neemt wekelijks deel aan de wiskunde-bijeenkomsten, die uit ca. 10 menschen bestaan.” Ook informeert hij Nieland over de toegestane communicatie met de buitenwereld: zelf mag hij “om de 14 dagen 2 briefkaarten, subs. 1 brief” sturen. “Aangetekendebrieven tot 2 KG mogen gestuurd worden. Dus pakketten aangetekend en < 2KG.” Twee weken later bedankt Wolff Nieland: “Waarde Nieland, Ons aller dank voor de uitstekende zending, die ons gisteren bereikte. Je kunt je moeilijk voorstellen, hoe verheugd wij telkens zijn en hoe wij de samenstelling bewonderen ondanks de moeilijkheden.” Dan informeert hij naar de situatie in Utrecht (“In Utrecht zal alles wel zijn gangetje gaan. Graag hoop ik er eens meer van te hooren.”) en hij vertelt over Westerbork: “Hier in W is het bij behoorlijk weer best uit te houden; bij slecht weer is de straat een beetje modderig maar droogt snel op. Wij treffen hier een groot deel van onze familie aan!” Zijn zoon Ernst, halfzus Cato/Flora Francisca Hegt-Wolff en haar man Jonas Hegt zijn op dat moment in Westerbork, en ook verschillende familieleden van zijn echtgenote Betsie, onder wie haar broer Sally met vrouw en zoon, bij wie ze in Amsterdam ingewoond hadden.
Behalve de briefkaarten zijn er twee brieven van Wolff aan Nieland bewaard gebleven. Beide zijn geschreven op voorgedrukt, gelinieerd papier (“Nur die Linien beschreiben”) van Kamp Westerbork en beschadigd doordat de postzegels afgescheurd zijn. Aanvullingen van verloren tekst staan tussen < >. De vermoedelijk vroegste van de brieven is ongedateerd, de andere heeft als datum “Westerbork 26-11-43”.
De ongedateerde brief heeft als aanhef “Amice”, hoopt dat het Nieland en gezin goed gaat en deelt mee “dat ons drietal het goed maakt, gezien de omstandigheden die voor velen niet in alle opzichten schitterend zijn.” Dan gaat Wolff uitgebreid in op een verzoek dat Nieland gehad had om een getaltheorieboek te schrijven voor lezers die alleen H.B.S als achtergrond hebben. Geen gemakkelijke taak, schrijft hij, en hij wenst Nieland “succes ermee.” Over zijn eigen wiskundige activiteiten in Westerbork schrijft Wolff: “Mijn voordrachten gingen best, maar nu is er stagnatie doordat het gehoor vaak ziek of verhinderd is. Des te meer geef ik aan jonge lui wat gemoedelijke leiding.” Vermoedelijk was hij betrokken bij de kampschool van Westerbork. Wolff sluit de brief af met:

“Prof. Barrau schreef mij den laatsten tijd nu en dan. Houd je taai. Hartelijke groeten, mede namens mijn gezin: Wolff”

De brief van 26 november volgt hier in zijn geheel:

“Westerbork 26-11-43
Waarde Nieland
Hartelijk dank voor je briefkaart. Voortaan kan ieder één brief schrijven op Vrijdag, telkens om de 14 dagen. Antwoord moet geplaatst worden op het antwoorvel._ Volgens mijn beste weten heb ik kennis gegeven van de <on>tvangst van het mooie <pakket w>aarover ons drietal zich <?zeer? ver>heugd heeft. Mocht je er niets over gehoord hebben, dan betuig ik hiermede nog eens onzen hartelijken dank. Men kan zich moeilijk indenken in de blijdschap waarmee zo’n pakket ontvangen wordt.
Weinig verneem ik uit Utrecht behalve dat onlangs een pakket kwam van v. Vuuren. Het beste is nu voor de pakkettenstuurders, dat ze de bemiddeling inroepen van den Joodschen Raad, afdeeling Utrecht, Springweg 164. Dat doen ook de heeren en dames die mij af en toe wat sturen. Daarvan heeft de leiding: Mej. E.L. van Rijckevorsel, Maliesingel 76, Utrecht.
Ontvang ons aller hartelijke groeten, en moge je zoon fink groeien,
JWolff ”

De brief is interessant omdat hij laat zien wie het gezin Wolff vanuit Utrecht steunen: de rector magnificus, die een pakket stuurt, zijn vervanger Nieland, en de “heeren en dames”, met wie hij zijn studenten aanduidt. In elk geval was Elise Jacoba (Lies) van Rijckevorsel (Naarden 1914 — Leusden 1971) een van Wolffs studenten. Ze zat in de vierde van het Utrechtse stedelijk gymnasium samen met Wolffs dochter Lenie in de klas en haalde in 1933 het diploma gymnasium bèta. Ze nam daarna volop deel aan het studentenleven, als actrice, als schermster en in verschillende bestuursfuncties. In 1946 slaagde ze voor het doctoraal examen wiskunde, ze heeft dus ook onderwijs van Nieland gehad.

Begin 1944 circuleert in Nederland het gerucht dat Wolff overleden zou zijn. De voorzitter van de Faculteit Wis- en Natuurkunde, Prof. L.M.R. Rutten, schrijft hierover op 7 januari aan de secretaris van Curatoren: “Vandaag sprak ik Dr. Nieland, die me vertelde, dat hij nog zeer kort geleden een brief met goede berichten van collega Wolff had gehad. Het gerucht van diens overlijden moet dus op een misverstand berusten. Het schijnt uitgegaan te zijn van Van der Corput uit Groningen, maar die verzekerde me voor eenige dagen telefonisch, dat hij het bericht maar als gerucht gehoord had.”

Na de brief van 26 november 1943, die Wolff zelf uit Westerbork aan Nieland schreef, is er nog nieuws van Wolff uit 1944, en wel in een brief van Lies van Rijckevorsel aan Nieland:

$\qquad\qquad$"5 Maart ’44
$\qquad\qquad\,$Utrecht
$\qquad$Zeer geachte Heer Nieland,
$\qquad$Gelukkig kan ik U mededeelen, dat ik gisteren een brief ontving van Prof. Wolff. Eigenlijk schrijft hij niet, hoe het hem gaat, hij legt in de brief precies uit, hoe ik met de zegel die erbij is, een pakje kan verzenden. Verder vraagt hij nieuws uit Utrecht, “Ik geloof, dat wij wat dat betreft, erg achter zijn,” schrijft hij. Het humoristische optmisme van hem, mis ik wel in zijn brief. Bovendien schrijft hij Geachte mej:, terwijl hij in zijn optimistisch gestemde brieven, mij altijd bij de naam noemt (ik was met zijn dochter in dezelfde klas).
$\qquad$Maar ik ben alweer blij met een levensteeken en vooral met de zegel. Ik wilde met de brief terug en met het pakje even wachten. Misschien kunt U mij iets zenden voor ’t pakket (veel hoeft het niet te zijn, ik mag maximaal 2 K.G. zenden en ik wilde op het Laboratorium ook aan de studenten om bijdragen vragen. Het gaat weer onder ‘t motto “alle beetjes helpen<”>. Bovendien wilt U hem misschien graag nog iets vertellen. Als U mij dit schrijft, zal ik het graag in de brief aan hem erbij zetten.
$\qquad$Maar waar zij, meen ik, per maand 2 brieven mogen schrijven, ontvangt U misschien zelf binnenkort een brief.
$\qquad$Met vriendelijke groeten, en bij voorbaat mijn dank (U vindt me, hoop ik, niet onbescheiden).
Hoogachtend,
E.J. van Rijckevorsel ”

Het “humoristische optimisme” van Wolff was er in zijn brief van maart 1944 niet meer. En uit Utrecht werd het stil, behalve van de kant van de pakkettenstuurders.

Nieland had het ongeluk in Putten te wonen. Bij de represaille van de bezetter op 1 oktober 1944 hoorde hij bij de groep van 661 Puttense mannen die naar concentratiekampen werden afgevoerd. Hij overleed 13 mei 1945 in een Engels ziekenhuis nabij Bremen.

Het gezin Wolff wordt op 13 september 1944 naar Bergen-Belsen gedeporteerd, waar ze in het centrale Sternlager verblijven. Jules Wolff, Betsie Wolff-Gersons en Ernst Wolff komen daar in het voorjaar van 1945 kort na elkaar om, op 8 februari, 9 maart en 3 maart. De overlijdensakten geven voor Betsie en Ernst als oorzaak van overlijden “Herzschwäche” en “Herzlähmung”.

Van het gezin Wolff-Gersons heeft dochter Lenie ondergedoken in Rotterdam de oorlog overleefd. Met Jaap Valkhoff kreeg ze na de oorlog twee dochters. Ook de tekenaar van het laatste portret van Jules Wolff overleefde met zijn schetsboek de oorlog. J.A. Barrau, die Wolff vanaf hun gemeenschappelijke Amsterdamse studententijd kende en zowel in Groningen als in Utrecht collega was van Wolff, typeert hem in 1947 met onder meer deze woorden:

Wolff’s publicaties zijn gekenmerkt door elegante bewijsvoering en door keurige en stipte redactie. Deze eigenschappen van stiptheid en sierlijkheid maakten ook zijne, door eene fijne geestigheid gekruide, mondelinge voordrachten, alsook —naar het eenparig getuigenis zijner studenten— elk zijner colleges, voor de toehoorders tot een genoegen en een genot.
Dit vernuftig betoog en deze geestige voordracht zijn nu tot zwijgen gebracht.

De zinspreuk van het Wiskundig Genootschap “Een onvermoeide arbeid komt alles te boven” is voor Wolff niet opgegaan.

Publicaties van Julius Wolff:

1907
Dynamen, beschouwd als duale vectoren (Academisch proefschrift ... aan de universiteit van Amsterdam ...), Amsterdam: M.M. Olivier, 1907. [JFM 41.0625.01]

1910-1911
Über ein Nullsystem beim Büschel quadratischer Flächen,Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 9 (1910-1911), 85- 115. [JFM 46.0403.01] Bekroonde inzending voor de desbetreffende prijsvraag uit 1908.
Quadratische omwentelingscomplexen en omwentelingscongruenties (2, 2), Versl. Kon Akad. v. Wet. 19 (1911), 1280-1284. [JFM 42.0693.03]

1915
Die Striktionscurven der quadratischen Flächen im nicht-euklidischen Raume, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 11 (1915), 210-231. [JFM 45.0897.01]
Die ebenen und räumlichen Kräftfelder in denen jede Gerade eine Tautochrone oder Pseudotautochrone ist, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 11 (1915), 291-327. Bekroonde inzending voor de desbetreffende prijsvraag uit 1914.
Congruenties met brandlijnen, Handelingen van het 15de Ned. natuur- en geneeskundig congres gehouden te Amsterdam (1915), 206-208. [JFM 45.0932.06

1916
De nieuwe onderzoekingen op het gebied der algebraïsche oppervlakken. Rede , gehouden 2 februari 1916, bij de opening van zijn lessen in de wiskunde, als privaatdocent aan de universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1916. Online: pub.math.leidenuniv.nl/~edixhovensj/talks/2014/cleveringa/oratie.pdf
Over de dubbelkromme van een algebraisch oppervlak, Versl. Kon Akad. v. Wet. 25 (1916), 521-525. [JFM 46.1009.02]

1917
Complexe getallenstelsels. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het hoogleraarsambt aan de Rijks- universiteit te Groningen op 28 maart 1917. Groningen: P. Noordhoff, 1917. [JFM 46.0186.04]

1918
Over het differentieeren van bepaalde integralen, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 12 (1918), 450-453. [JFM46.0403.01]

1919
Sur les suites de fonctions holomorphes, CR 169 (1919), 566-569. [JFM 47.0308.03] (CR staat steeds voor Comptes Rendus hebdomadaires des séances de l’Académie des Sciences.)
Over reeksen van analytische functies, Versl. Kon Akad. v. Wet. 27 (1919), 319-323. [JFM 47.0309.01]
Over de quasi-uniforme convergentie, Versl. Kon Akad. v. Wet. 27 (1919), 1098-1103. [JFM 47.0309.02]
Eenige toepassingen van de quasi-uniforme convergentie op reeksen van reële en van holomorfe functies, Versl. Kon Akad. v. Wet. 28 (1919), 341-352; Erratum, 464.

1919-1920
Over het termsgewijs differentiëren van reeksen, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 13 (1919-1920), 185-186. [JFM 47.0246.01]
Over twee stellingen van Caratheodory, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 13 (1919-1920), 288-291. [JFM 47.0302.02]
Over twee formules van Castelnuovo, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 13 (1919-1920), 298-299. [JFM 47.0635.02]

1920
Über Folgen analytischer Funktionen, Math. Ann. 81 (1920), 48-51. [JFM 47.0310.01]
Over de stelling van Picard, Versl. Kon Akad. v. Wet. 29 (1920), 171-174. [JFM 47.0302.01]

1921
Riemann’sche integralen op puntverzamelingen, Christiaan Huygens 1 (1921), 150-162. [JFM 48.0264.03]
Sur les séries $\sum\dfrac{A_k}{z-\alpha_k}$ , CR 173 (1921), 1056-1057, 1327-1328. [JFM 48.0320.01] Op het eerste deel volgt een positief commentaar van Émile Borel.

1922
Over het subjectieve in de wiskunde. Rede gehouden bij de aanvaarding van het ambt van hoogleeraar aan de Rijks-universiteit te Utrecht op maandag 16 october 1922. Groningen: P. Noordhoff, 1922.
Inleiding tot de analytische meetkunde van het platte vlak, Groningen: P. Noordhoff, 1922. [JFM 48.0685.02]
Over convexe puntverzamelingen in het platte vlak, Christiaan Huygens 2 (1922), 124-132. [JFM 48.0217.03]

1923
Sur les ensembles non mesurables, CR 177 (1923), 863-864. Op het artikel volgt een positief commentaar van Émile Borel.
Over de verzameling der waarden $x$, waarvoor een functie $f(x)$ tusschen twee door haar aangenomen waarden ligt, Handelingen van het 19e Ned. natuur- en geneeskundig congres gehouden te Maastricht (1923), 121-122. [JFM 49.0175.02]
Over het osculatievlak, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 14 (1923), 132-136. [JFM 49.0504.01]
Over de continuiteitspunten van functies, Versl. Kon Akad. v. Wet. 32 (1923), 148-149. [JFM 49.0176.03]
Inwendige grensverzamelingen, Versl. Kon Akad. v. Wet. 32 (1923), 150-151 [JFM 49.0142.01]
Over een meetbaarheidsstelling van Carathéodory, Versl. Kon Akad. v. Wet. 32 (1923), 891-892. [JFM 49.0142.02]

1924
Sur l'importance d'un théorème de M. Vitali dans la théorie de la mesure, Bulletin Soc. Math. France 52 (1924), 578-585. [JFM 50.0129.02]
Über die Loomansche Erweiterung eines Satzes von Pompéiu, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 14 (1924), 327- 339. [JFM 50.0250.03]
Over perfecte puntverzamelingen, waarin alle puntenparen irrationale afstanden hebben, Versl. Kon Akad. v. Wet. 33 (1924), 61-62. [JFM 50.0132.02]

1925
Over afgeleide functies van een reëele veranderlijke, Handelingen van het 20e Ned. natuur- en geneeskundig congres gehouden te Groningen (1925), 154-155. [JFM 51.0215.05]
Een afbeelding van de waaiers in 𝑅 op de kegelsneden van een vlak, Versl. Kon Akad. v. Wet. 34 (1925), 325- 330. Engelse versie in Proc. Akad. Wet. Amsterdam 28 (1925), 450-455. [JFM 51.0497.01 en .02]
Over een functie die in ieder interval iedere waarde op een onaftelbare puntverzameling aanneemt, Versl. Kon Akad. v. Wet. 34 (1925), 1121--1122, [JFM 51.0200.02]

1926
Sur l’itération des fonctions holomorphes dans une région, et dont les valeurs appartiennent à cette region, CR 182 (1926), 42-43. [JFM 52.0309.02]
Sur l’itération des fonctions bornées, CR 182 (1926), 200-201. [JFM 52.0309.03]
Sur une généralisation d’un théorème de Schwar[t]z, CR 182 (1926), 918-920. [JFM 52.0309.05]
Sur une généralisation d’un théorème de M. Schwartz, CR 183 (1926), 500-502. [JFM 52.0309.06]
Sur les bitangentes d'une quartique. A propos des articles de MM. Winants et Delens, Enseign. Math. 25 (1926), 119-120. [JFM 52.0658.04]
On a function which assumes any value on a non-enumerable set of points in any interval, Proc. Akad. Wet. Amsterdam, 29 (1926), 127-128. [JFM 52.0242.03]

1927
Une généralisation d’un théorème de H. Jentzsch, CR 184 (1927), 795-798. [JFM 53.0290.01]
Sur les séries $\sum\dfrac{A_k}{z-\alpha_k}$ , CR 185 (1927), 1250-1252. [JFM 54.0359.02]
Über die Iteration derjenigen in einem Gebiete regulären Funktionen, deren Werte dem Gebiete angehören, Math. Z. 26 (1927), 125-127. [JFM 53.0304.01]
Over de grenswaarden van holomorfe functies,
Versl. Kon Akad. v. Wet''. 36 (1927), 1237. [JFM 53.0285.01]

1928
Sur les limites radiales d'une fonction holomorphe dans un cercle, Bulletin Soc. Math. France 56 (1928), 167- 173. [JFM 54.0346.01]
Sur les séries $\sum\dfrac{A_k}{z-\alpha_k}$ , C'R 186 (1928), 62-63. [JFM 54.0359.02]
Une propriété des séries de fractions rationnelles, CR 186 (1928), 565-566. [JFM 54.0359.03]
Naschrift [bij het artikel «Eenwaardig of meerwaardig» van P. Wijdenes], Euclides 4 (1928), 104-105.
Bewerkingen met breuken en haar verband met verschillende gebieden der wiskunde, Euclides 4 (1928), 226- 238. [JFM 54.0102.07]
Une propriété des fractions continues, Nieuw Archief voor Wiskund'e (2) 15 (1928), 377-378. [JFM 54.0234.01]
Over reeksen van rationale functies, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 15 (1928), 379-385. [JFM 54.0359.05] On the boundary limit infinite of a holomorphic function, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 31 (1928) 718-720. Nederlandse versie in Versl. Kon Akad. v. Wet. 37 (1928), 495-497. [JFM 54.0346.02]
On the limits of holomorphic functions, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 31 (1928), 254. [JFM 54.0346.03]
On the sufficient conditions for analyticity of functions of a complex variable, Proc. Int. Math. Congress (Toronto 1924), Toronto: Toronto Univ. Press, 1928, vol. 1, 457-459. [JFM 54.0328.02]

1929
Sur l'itération des fonctions holomorphes dans un demi-plan, Bulletin Soc. Math. France 57 (1929), 195-203. [JFM 55.0769.04]
Een stelling over conforme afbeelding, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 32 (1929), 1261-1263. [JFM 55.0208.04]

1930
Sur la dérivée angulaire dans la représentation conforme, CR 190 (1930), 575-576. [JFM 56.0983.06] Sur la dérivée angulaire, CR 191 (1930), 921-923. [JFM 56.0984.01]
G. Schaake, J. Wolff, Over de tweede middelwaardestelling der integraalrekening, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 16 nr. 4 (1930), 28-33. [JFM 56.0221.04]
Over normale en niet-normale vlakke algebraïsche krommen, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 16 nr. 4 (1930), 34-36. [JFM 56.1166.09]
Sur la représentation conforme, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 33 (1930), 96-97. Ook samengevat in Versl. Kon Akad. v. Wet. 39 (1930), 15. [JFM 56.0983.04, 57.1427.04]
Sur la représentation conforme d'un demi-plan sur un domaine qui en fait partie, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 33 (1930), 1023-1024. Ook samengevat in Versl. Kon Akad. v. Wet. 39 (1930), 160. [JFM 56.0986.02, 57.1427.05]
Quelques propriétés des fonctions holomorphes dans un demi-plan dont toutes les valeurs sont dans ce demi-plan, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 33 (1930), 1185-1188. Ook samengevat in Versl. Kon Akad. v. Wet. 39 (1930), 170-171. [JFM 57.1425.03, 56.0983.05]
Sur la croissance et la décroissance des fonctions entières, Rend. Circ. Mat. Palermo 54 (1930), 207-216. [JFM 56.0973.04]

1931
Fourier'sche Reihen mit Aufgaben. Groningen: P. Noordhoff N.V., 1931.

1932
Dubbele integralen, pp. 441-485 in: H.B.A. Bockwinkel, Kollege integraalrekening ... met een aanhangsel over dubbele integralen van J. Wolff ... , Amsterdam: Drukkerij Holland, 1932.
J. Wolff, F. de Kok, Les fonctions holomorphes à partie réelle positive et l'intégrale de Stieltjes, Bulletin Soc. Math. France 60 (1932), 221-227. [Zbl 0006.17101]
Sur l'itération des fonctions holomorphes dans un demi-plan, CR 194 (1932), 833-834. [Zbl 0003.40601]
J. Wolff, B. Grootenboer, Sur une propriété des dérivées d'une fonction à partie réelle positive, CR 195 (1932), 997-998. [Zbl 0005.40302]
Oppervlakten en inhouden, Euclides 9 (1932), 154-164.
J. Wolff, P.G.J. Vredenduin, Sur les coefficients d'une série de Fourier, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 17 (1932), 144-146. [Zbl 0003.25402]
Sur l'itération et sur la fonction de Königs, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 35 (1932), 502-506. Ook in Versl. Kon Akad. v. Wet. 41 (1932), 55. [Zbl 0004.30002]
Beschränkte analytische Funktionen und Stieltjes-Integrale, Verhandlungen des Internationalen Mathematiker- Kongresses Zürich 1932, Zürich: Orell Füssli, 1932, vol. 2, 126-127. [JFM 58.0353.18]

1933
Sur la série de Fourier d'une fonction monotone, Bulletin Soc. Math. France 61 (1933), 253-257. [JFM 59.0304.01]
Extension d'un théorème de M. Warschawski sur la représentation conforme, CR 196 (1933), 891-893. [Zbl 0006.26401]
Sur l'intégrale d'une fonction holomorphe à partie réelle positive, CR 196 (1933), 1949-1950. [Zbl 0008.11901]
Sur l'intégrale de Stieltjes représentant une fonction holomorphe à partie réelle positive, CR 197 (1933), 17-18. [Zbl 0007.16705]
Sur la fonction harmonique conjuguée d'une fonction harmonique bornée, CR 197 (1933), 1180-1182. [Zbl 0008.07302]
J. Wolff, A. Denjoy, Sur la division d'une sphère en trois ensembles, Enseign. Math. 32 (1933), 66-68. [Zbl 0008.18103]

1934
Sur la représentation conforme des bandes, Compos. Math. 1 (1934), 217-222. [Zbl 0009.40403]
Une propriété de la représentation conforme des bandes, CR 198 (1934), 707-709. [Zbl 0008.36205]
L'intégrale d'une fonction holomorphe et à partie réelle positive dans un demi plan est univalente, CR 198 (1934), 1209-1210; Errata, 1464. [Zbl 0008.36301]
Démonstration simple d'une propriété de l'intégrale d'une fonction holomorphe à partie réelle positive, Nieuw Archief voor Wiskunde (2) 18 (1934), 20-21. [Zbl 0009.21601]
S. Warschawski, J. Wolff, Zum Randverhalten der zweiten Derivierten der Abbildungsfunktion bei konformer Abbildung, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 37 (1934), 145-149. [Zbl 0009.17402]

1935
Sur le lieu des points équidistants de deux continus et la division du plan par une courbe de Jordan, Bulletin Soc. Math. France 63 (1935), 36-55. [Zbl 0012.03505]
Sur la conservation des angles dans la représentation conforme d'un domaine au voisinage d'un point frontière, CR 200 (1935), 42-43. [Zbl 0010.36201]
La représentation d'un demi-plan sur un demi-plan à une infinité d'incisions circulaires, CR 200 (1935), 630-631. [Zbl 0011.12102]
Metriek van puntverzamelingen. Lebesgue-integratie. Mathematica B 4 (1935), 1-12, 33-50, 65-71. [JFM 61.0238.01, .02, .03]
Démonstration d'un théorème sur la conservation des angles dans la représentation conforme d'un domaine au voisinage d'un point frontière, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 38 (1935), 46-50. [Zbl 0011.12101]

1936
Généralisation d'un théorème de M. Carleman sur les séries de fractions rationnelles, CR 202 (1936), 551-553. [Zbl 0013.17201]

1937
Sur les domaines invariants dans la représentation conforme, CR 204 (1937), 1101. [Zbl 0016.16904]

1938
Les trajectoires définies par l'équation $dz/dt=w(x)$ fonction holomorphe à partie réelle positive dans le demi-plan $D(x>0)$, CR 206 (1938), 1546-1548. [Zbl 0019.03203]
L'équation différentielle $dz/dt=w(x)$ fonction holomorphe à partie réelle positive dans un demi-plan, Compos. Math. 6 (1938-1939), 296-304; Errata, 478. [Zbl 0019.42003]

1940
Théorème sur les domaines invariants dans la représentation conforme, CR 210 (1940), 658-659. [Zbl 0024.42201]
Sur les fonctions holomorphes dont l'ensemble des valeurs est soumis à certaines restrictions, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 43 (1940), 1018-1022. [Zbl 0023.40404]

1941
Sur les fonctions holomorphes univalentes, CR 213 (1941), 158-160. [Zbl 0025.26002]
Eenvoudig bewijs van de stelling van Arzelà-Osgood der Integraalrekening, Mathematica B 10 (1941-1942), 90-93. [Zbl 0026.00603]
Théorème sur l'itération d'une représentation conforme, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 43 (1940), 1016-1017, 44 (1941) 195-197, 308-309. [Zbl 0023.40501, 0024.33302, 0024.33303]
Séries se rapportant aux fonctions holomorphes bornées, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 44 (1941), 619-624. [Zbl 0025.17101]
Inégalités remplies par les fonctions univalentes, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 44 (1941), 956-963 ; Errata, 1163. [Zbl 0026.21802]
Domaines d'univalence et d'étoilement des fonctions holomorphes à partie réelle positive dans un demi-plan, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 44 (1941), 1210-1213. [Zbl 0026.40003]


Publicaties 1940-1942; afscheurbaar lijstje in brief aan L. van Vuuren, 14 oktober 1942. Utrecht, Utrechts Archief, Archief Senaat en Rector, toegang 292-1, inv.nr. 84, daarin de omslag “Joodsche zaken”.

1942
Inégalités remplies par les dérivées des fonctions holomorphes, univalentes et bornées dans un demi-plan, Commentarii Mathematici Helvetici 15 (1942-3), 296-298. [Zbl 0028.40102]
La représentation conforme au voisinage d'un point frontière, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 45 (1942), 169-170. [Zbl 0026.40005]
O. Blumenthal, J. Wolff, Die isoperimetrische Aufgabe, Mathematica B 11 (1942), 12-26. [Zbl 0026.35902]
Deux théoremes sur la dérivée d'une fonction holomorphe univalente et bornée dans un demi-plan au voisinage de la frontière, Proc. Akad. Wet. Amsterdam 45 (1942), 574-577. [Zbl 0027.05701]

1944
T. van Aardenne-Ehrenfest, J. Wolff, Über die Grenzen der einfachzusammenhängenden Gebiete, Commentarii Mathematici Helvetici 16 (1943-4), 321-323.

Archiefbronnen

Amsterdam, NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies

toegang 250i inv.nr. 889, Brieven en briefkaarten die door kampingezetenen zijn verzonden (namen beginnend met Vr. - Z.); hierin een adreswijziging en twee brieven van J. Wolff aan L.W. Nieland en een brief van Mw. E.J. van Rijckevorsel aan L.W. Nieland)

Groningen, Groninger Archieven

toegang 46 inv.nr 624, Handelingen van de faculteit der wis- en natuurkundige wetenschappen aan de hoogeschool te Groningen, 1915 – 1929: Notulenboek van de faculteitsvergaderingen. p.29, 34, 116
toegang 46 inv.nr 629, Faculteit der wis- en natuurkundige wetenschappen, Ingekomen en concepten-van- uitgaande stukken, 1909-febr-28 tot 1922-juli-30. Brieven van en aan curatoren van 6-11-1916 en 6-1- 1917, deze laatste met publicatielijst van J. Wolff

Groningen, Universiteitsbibliotheek.

Den Haag, Centraal bureau voor genealogie

amilieadvertenties en Duitse overlijdensakten via “Oorlogsbronnen”

Den Haag, Koninklijke Bibliotheek

artikelen en advertenties in kranten via delpher.nl

Haarlem, Noord-Hollands Archief

toegang 288, inv.nr 3 Correspondentie van C. Visser met J. Wolff (1931-1937)

inv.nr 5 Aantekeningen van colleges van prof. dr. J. Wolff (1929-1931)

toegang 423, inv.nrs 52 en 79 Correspondentie met E.W. Beth (1931, 1937) toegang 504, inv.nrs 1 en 2 Dictaten van Drs. R.W. Lijdsman uit periode 1925-1955, onder meer van Wolff en Nieland toegang 506 nr. 1: Dr. L.W. Nieland, Ingekomen en enige minuten van uitgaande stukken (1928-1944) toegang 508, inv.nrs 1-3 G. Röhrmann, Collegedictaten en andere aantekeningen, onder meer colleges van Wolff (1932-1936) toegang 615, inv.nr 85 Brief en briefkaart van Wolff aan H. Freudenthal (1935, 1943) toegang 685, doos 5 Archief T.P. van Aardenne-Ehrenfest (niet geïnventariseerd)

Utrecht, Utrechts Archief

toegang 59 (Archief Curatoren Rijksuniversiteit Utrecht) inv.nrs 264, 265, 270 Jaarverslagen, ... aan de minister van binnenlandse zaken, c.q. de minister van onderwijs, resp. 1923/24, 1924/25 en 1929/30

inv.nrs 343-346 Jaarboek der Rijks-universiteit te Utrecht 1921-1922 tot 1924/25
inv.nr 532 Stukken betreffende de tenuitvoerlegging van de zogeheten ariërparagraaf ... (hierin een kopie van de ontslagbrief van 23-11-1940, de ontzegging van de toegang tot de Leeszaal, correspondentie over het gerucht dat Wolff overleden zou zijn)
inv.nr 647 Stukken betreffende de hoogleraren in de integraalrekening, ... (hierin Wolffs correspondentie met curatoren betreffende hemzelf en met anderen over Wolff)
inv.nr 648 Stukken betreffende de hoogleraren in de ... meetkunde (hierin Wolffs correspondentie over de opvolging van De Vries)
inv.nr 1018 Stukken betreffende de docent in de integraal-en differentiaalrekening, ... (1940-1945) (hierin correspondentie over de vervanging door L.W. Nieland)

toegang 292-1 (Archief Senaat en Rector Rijksuniversiteit Utrecht) inv.nrs 81 en 84 Ingekomen stukken en minuten van uitgaande stukken van rector magnificus L. van Vuuren, daarin omslagen “Joodsche Zaken” waarin correspondentie met Wolff en over hem

Utrecht, Universiteitsmuseum

Briefkaart en vijf brieven van J. Wolff aan collega’s, onder wie de rector magnificus van de Rijksuniversiteit Utrecht (1923-1934)

Westerbork, Archief Kamp Westerbork

Drie briefkaarten aan L.W. Nieland (20-10-1943, 28-10-1943, 12-11-1943)

Publicaties over Wolff en achtergronden

D.S. Alexander, F. Lavernaro, A. Rosa, Early Days in Complex Dynamics, 1906—1942. Providence R.I. and London, American Mathematical Society and London Mathematical Society, 2012.

J.A. Barrau, In memoriam prof. dr. J. Wolff, Nieuw archief voor wiskunde (2) 22 (1947), 113-114.

H.P. Boas, Julius and Julia: Mastering the Art of the Schwarz Lemma, Am. Math. Monthly 117, November 2010, 770-785.

Frits Broeyer, Het Utrechtse universitaire verzet * ‘Heb je Kafka gelezen?’ 1940 * 1945. Utrecht: Uitgeverij Matrijs, 2014.

Robert B. Burckel, An introduction to classical complex analysis. Basel etc: Birkhäuser Verlag, 1979.

J.G. van der Corput, Wiskunde, pp. 255-291 in K.F. Proost, J. Romein (eds.), Geestelijk Nederland 1920-1940. Deel II De wetenschappen van natuur, mens en maatschappij, Amsterdam en Antwerpen: NV Uitg.-Mij “Kosmos”, in het bijzonder het portret van Michel Winkel op p. 267 en de paragraaf over “De betekenis van J. Wolff” op pp. 279-280.

J.G. van der Corput, F. van der Blij, In memoriam Dr. L.W. Nieland, Nieuw archief voor wiskunde (2) 22 (1947), 217-219.

V. Felsch, E.R. Wiehn (eds.), Otto Blumenthals Tagebücher : ein Aachener Mathematikprofessor erleidet die NS- Diktatur in Deutschland, den Niederlanden und Theresienstadt, Konstanz : Hartung-Gorre (2011)

Jaarboek der Rijksuniversiteit te Groningen. 1916-1917, Groningen, Den Haag: J.B. Wolters, 1917, p. 41

Joods Monument, https://www.joodsmonument.nl/nl/page/121568/julius-wolff

R.A. Kortram, In memoriam Cornelis Visser, Nieuw Archief voor Wiskunde (5) 2 (september 2001), 202-203. Online: http://www.nieuwarchief.nl/serie5/pdf/naw5-2001-02-3-202.pdf

W.M. de Lang (ed.), Het oorlogsdagboek van Dr. G. Italie, Amsterdam en Antwerpen: Uitgeverij Contact, 2009.

J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945, 2 delen. Den Haag: Staatsuitgeverij, 1985; in het bijzonder deel 1, pp. 439-447

T. Tabak, 'En men zal u een nieuwe naam geven’ : vijf vergeten oorlogsslachtoffers van de Rijksuniversiteit Groningen, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2007

S. van Walsum, Ook al voelt men zich gewond. De Utrechtse universiteit tijdens de Duitse bezetting 1940-1945. Utrecht: Universiteit Utrecht, 1995

M. Wolff, De nakomelingen van Wolff ben Eleazar en Moshe ben Gompertz Halevi, 1695-1995 (Arnhem, 2001); in het bijzonder pp. 196-200