Johann Bernoulli Institute for Mathematics and Computer Science > FWN > RUG

Op 11 augustus 1977 overleed na een korte ziekte ons lid J. Ridder, oud hoogleraar in de (mathematische) analyse aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Jacob Ridder werd op 3 januari 1894 te Harderwijk geboren, bezocht de Rijks H.B.S. te Bergen op Zoom, deed in 1911 eindexamen en behaalde in 1912 de onderwijzersakte. Na een korte periode als onderwijzer te Hoogeveen, waarin de acte wiskunde l.o. en het praktijkdiploma boekhouden behaald werden, deed hij in 1915 aanvullend staatsexamen in ging wis- en natuurkunde studeren aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Reeds in 1918 legde hij het doctoraalexamen af. Hij besloot zijn studie te vervolgen bij de Franse mathematicus Arnaud Denjoy, die van 1917 als hoogleraar aan de Utrechtse universiteit verbonden was en door wie nieuwere, hoofdzakelijk uit Frankrijk komende, ontwikkelingen in de reële analyse ook in ons land bekendheid kregen. Ridder promoveerde in 1921 bij Denjoy op een proefschrift met als titel “Enkele algemeene limietstellingen met toepassingen op reële functies”.

Na kortstondige tijdelijke leraarsbetrekkingen te Tiel en Gorinchem (1920) was Ridder als wiskundeleraar verbonden aan het gemeentelijk gymnasium te Breda (1920-1922) en aan het Baarns Lyceum (1922-1931). In 1931 werd hij benoemd tot lector in de propedeutische wiskunde aan de Groningse universiteit. Zijn leeropdracht werd later uitgebreid tot analyse met maat- en integratietheorie. In 1950 werd hij buitengewoon hoogleraar, in 1951 gewoon hoogleraar en in 1954 volgde zijn verkiezing tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Ridder ging, volgens eigen wens betrekkelijk onopgemerkt, in 1962 met emeritaat. Hij vestigde zich in Zeist, waar hij zijn wetenschappelijk werk tot kort voor zijn dood met onverflauwde ijver voortzette.

Zoals uit het bovenstaande duidelijk zal zijn, behoorde Ridder tot de nu vrijwel uitgestorven generatie waarbij het nog mogelijk was om van onderwijzer via het leraarschap te komen tot een lectoraat of professoraat aan één van de Nederlandse universiteiten. Dat dit in zijn geval mede te danken was aan een geweldige werkkracht, blijkt wel uit het feit dat hij in 1931, toen hij lector werd, reeds een dertigtal artikelen in binnen- en buitenlandse tijdschriften op zijn naam had staan. Alhoewel zijn proefschrift met het in de eerste jaren daarna volgende werk nog geheel aansloot bij de toenmalige “klassieke” analyse (verwisseling van volgorde bij limietovergangen met toepassingen in de theorie van de reële functies en de complexe functies), wendde hij zich vanaf 1925 tot een grondige studie van de moderne integratietheorieën, die voortgekomen waren uit het werk van Lebesgue, Carathéodory, Denjoy, Perron en anderen. Deze integratietheorie, in alle variaties van de voortgaande ontwikkeling, heeft Ridder gedurende zijn verdere leven, dus meer dan vijftig jaren, intens bezig gehouden. Vanaf het begin al werd hij geboeid door het onderzoek van de eindig additieve maten en integralen naast de meer gebruikelijke aftelbaar additieve soorten. In vele van zijn artikelen vindt men dan ook een behandeling in tweeën; naast elke paragraaf over het aftelbaar additieve geval staat een overeenkomstige paragraaf over het eindig additieve geval. Ging het in het begin hoofdzakelijk over integratie in een “gewone”Euclidische ruimte, vanaf 1935 strekten zijn onderzoekingen zich ook uit tot “abstracte integratie”, hetgeen leidde tot een in 1941 verschenen uitvoerig artikel over integratie op Boolese algebra’s. Een studie over de topologische eigenschappen van Boolese algebra’s verscheen in 1944 in de Verhandelingen van de Akademie.

Aan het eind van de veertiger jaren begon Ridder – zonder overigens het terrein van de reële analyse te verlaten – ook onderzoek te verrichten in de mathematische logica. In de Proceedings verschenen daarover een aantal artikelen van zijn hand, waarbij speciaal een reeks uit 1950-1951 over intuïtionistische en aanverwante logische systemen genoemd mag worden. Na 1958 is hij op de logica niet meer teruggekomen. Het is wellicht niet te gewaagd om te onderstellen dat zijn werk op dit gebied mede geïnspireerd was door zijn vroegere onderzoek over Boolese algebra’s.

Behalve op de genoemde gebieden heeft Ridder gewerkt op het gebied van de harmonische en subharmonische functies, mede in verband met de potentiaaltheorie.

Ridder was een zeer kritisch wiskundige met een scherp oog voor het uitgewerkte detail. Deze aandacht voor een minitieuze uitwerking maakte het wel eens moeilijk om bij de veelheid van voetnoten en detailopmerkingen in zijn artikelen de hoofdzaken van de bijzaken te scheiden. Zijn onderwijs, speciaal waar het de doctoraalcolleges betreft, was helder en besloeg een omvangrijk gebied; bij de tentamens stelde hij hoge eisen. Die stelde hij ook aan de weinige promovendi die hij gehad heeft; wel stond hij hen krachtig terzijde bij hun werk.

Ik wil graag dit bericht eindigen met een citaat uit een herdenkingsartikel, bestemd voor de leden van de Groningse universiteitsgemeenschap en geschreven door enige collega’s die Ridder in Groningen geruime tijd gekend hebben. Het luidt als volgt: “De wiskunde die hij met groot enthousiasme beoefende werd door hem onverbiddelijk gediend en naar zijn mening behoorde ieder die zich aan de wiskunde wijdde dit ook te doen. Hij zag het als zijn taak de student tot vaardigheid en exactheid van denken te brengen en hem de ontwikkeling der analyse mee te delen die van de negentiende eeuw via de brug der reële analyse voerde naar een recente stand van zaken”.

Auteur

A.C. Zaanen