Blaarkoppen in de branding|
Sinds 1907 kennen we in Nederland drie officieel geregistreerde melkveerassen op nutbasis: Zwartbont of Fries-Hollands (FH), Roodbont of Maas-Rijn-IJssel (MRIJ) en Blaarkop. De ontwikkeling van de hoogte van de gemiddelde melkproduktie per ras wordt weergegeven in de volgende tabel. Tabel 1 Overzicht van het aantal, het aantal melkdagen, de hoeveelheid melk, het vetgehalte en het eiwitgehalte van de verschillende rassen in de loop van de tijd (Blaarkop en Roodbont in 1990 inclusief kruisingen).
De gemiddelde produktie van alle gecontroleerde koeien in Nederland was in 1993: 322-7351-4.47-3.50. De hoogste zuivere blaarkopbedrijven zaten in 1993 rond het vermelde gemiddelde, met daarbij een hoger eiwitgehalte en minder melkdagen. De enorme stijging van de melkproduktie kan voor een behoorlijk deel verklaard worden door het betere management op de bedrijven onder andere betreffende opfok, voederwinning, voeding, stalling en preventieve en curatieve gezondheidszorg. Voor een kleiner deel is deze stijging het gevolg van fokkerijmaatregelen zoals selectie, fokprogramma's, gebruikmaking van sperma, embryo's of fokdieren van elders, kruising (vooral Holsteinisatie), met als neveneffect bij minder verwante rassen vooral bij de eerste kruising (F1) het optreden van heterosis. De actuele positieDe algemene opinie is dat een hoge melkproduktie per koe goed of zelfs noodzakelijk is voor het verkrijgen van een goed netto inkomen van de boer en voor een gunstige mineralenbalans. Ten aanzien van beide genoemde zaken kunnen echter kanttekeningen gemaakt worden. Wat betreft de bedrijfsresultaten is het zeer verrassend dat ook in 1993 MRIJ-bedrijven nog steeds het gunstigst uit de bus komen. Kennelijk is er met een dubbeldoelkoe toch goed te boeren. Uit een enquête van Johan van Wilgen in Veeteelt is gebleken dat Blaarkop en FH-bedrijven, vooral per ha, heel goed scoorden ten opzichte van Holstein-Friesian (HF)bedrijven. Een aantal secundaire kenmerken zoals hogere vruchtbaarheid, minder klauwonderhoud, lagere ziektekosten, minder gedwongen uitstoot en een hogere post omzet en aanwas spelen hierbij een rol. In de discussie over de mineralenbalans wordt gesteld dat een hoge melkproduktie gunstig werkt omdat de voor het lichaamsonderhoud benodigde voedereenheden dan uitgesmeerd kunnen worden over meerdere kg melk en de produktie dus efficiënter verloopt. Er komen hierbij echter nog enige factoren om de hoek kijken. Ten eerste de invloed van het levend gewicht. Per 50 kg extra gewicht liggen de meerdere benodigde voedereenheden in de orde van 2%. Bij een gelijk levend gewicht is er voor bijvoorbeeld een 1500 kg hogere jaarproduktie een efficiëntievoordeel van ongeveer 6%. Als deze hogere produktie gepaard gaat met een 150 kg hoger levend gewicht wordt het voordeel dus vrijwel teniet gedaan. 'Amerikanen' van b.v. 1.50 m kruishoogte zijn nogal wat zwaarder dan Blaarkoppen van 1.38 m. Ten tweede is er voor produkties boven 30 kg melk per dag progressief extra en eiwitrijker voer per kg te leveren melk nodig. Ten derde kunnen er efficiëntieverschillen tussen rassen bestaan. Uit de bovengenoemde enquête van Johan van Wilgen bleek dat de Blaarkoppen veelal onder de norm gevoerd werden, maar toch een goede gezondheid en conditie en vruchtbaarheid hadden. Op enkele biologisch werkende bedrijven kunnen melktypische HF koeien het niet volhouden op het minder geconcentreerde gras en ruwvoer en de veel lagere krachtvoergift. Er worden op deze bedrijven proeven genomen met Blaarkoppen en de verwachting is dat die beter passen onder dergelijke omstandigheden vanwege hun soberheid. Vanuit praktijkbedrijven, die flink aan het kruisen zijn, bereiken ons geluiden dat de dieren, ook het jongvee, veel meer voer nodig hebben dan de vroeger daar gehouden zuivere Blaarkoppen. Tenslotte kan nog opgemerkt worden dat vanwege de superheffing een hogere produktie per koe een verlaging van het aantal koeien en dus ook van het aantal geboren kalveren met zich meebrengt. Alternatieven als vleesvee of schapen zijn momenteel economisch bepaald niet aantrekkelijk. Hoe nu verder met de Blaarkop?Zuivere teelt is uiteraard de beste methode om de raseigenschappen vast te houden. Veeverbetering binnen een toch al kleine en bovendien in aantal afnemende, zuivere populatie is extra moeilijk, al is de benodigde variatie nog wel aanwezig. Variatie in bloedvoering is belangrijk in verband met inteelt. Een beperkte en tijdelijke inbreng van een ander ras teneinde bepaalde minder sterke punten zoals melkproduktie en ontwikkeling te verbeteren, is op zich niet verwerpelijk en heeft in het grijze verleden ongetwijfeld ook plaats gevonden bij het toen sterk gemêleerde veebestand. Het vraagt wel veel zelfbeheersing. Een verdringingskruising waar het, zoals wij vanaf het begin vreesden, in vele gevallen op uit gedraaid is, is doodzonde en heeft tot een aanzienlijke verkleining van de Blaarkoppopulatie geleid. Ten einde te trachten het Blaarkopras in stand te houden en te verbeteren is door een viertal Blaarkopfokkers in 1986 het Blaarkoprundveesyndicaat opgericht. De belangrijkste activiteit is het opsporen van stiermoeders en stieren en het voor een aanvaardbare prijs beschikbaar stellen van sperma van deze stieren, hetzij rechtstreeks naar de veehouders, hetzij via KI-verenigingen als die interesse tonen. Sinds 1986 zijn een achttal stieren, zeven roodblaren en één zwarte met roodfactor, beschikbaar gekomen, terwijl een negende, een zwartblaar, bezig is met spermaproduktie. Daarnaast is één roodblaar stierkalf in opfok en is een claim gelegd op een tweede. In alle gevallen hebben één of meer KI-organisaties sperma afgenomen voor hun leden en deelnemers. In drie gevallen betrof dit ook een of beide grote KI-blokken. De fokresultaten kunnen tot dusver als bevredigend worden bestempeld. Vijf van de zes stieren met een index zijn op dubbeldoelbasis, waar ze ons inziens echt thuis horen, positief qua produktievererving, namelijk gemiddeld +267 voor melk, -0.02 voor vet, +0.03 voor eiwit, totaal +123. De navraag, ook van de oudste stieren, wijst op tevredenheid bij de gebruikers. De thans met zijn spermaproduktie bezig zijnde stier heeft een zeer bijzondere moeder. Deze Sannie 3 heeft tot nu toe in 2339 melkdagen 119.557 kg melk gegeven met 4.36% vet en 3.30% eiwit, hetgeen gemiddeld ruim 51 kg per melkdag betekent. Zij is een eerste kruising (F1) en zal daarom wel een heterosis effect hebben, hetgeen vaak optreedt bij een 1e kruising tussen meer onverwante dieren. Haar zoon is teruggekruist (75% G) en, gepaard met zuivere Blaarkopkoeien zullen zijn kinderen dan 87.5% G-bloed voeren. De lactatiewaarde -een verhoudingsgetal tot het stalgemiddelde- van de 7 lijsten van Sannie 3 was respectievelijk 139, 143, 161, 185, 189, 175, 183, wat een indicatie geeft van het Blaarkopproduktiepatroon: het zijn echte stayers. Promotie BlaarkoprasVerder promoot het BRS het Blaarkopras in woord en geschrift en in levende lijve op tentoonstellingen en fokveedagen. Daarnaast wordt bemiddeling verleend bij de aanschaf of verkoop van fokmateriaal, onder andere naar kinderboerderijen, natuurparken en reservaten. Door hun rustige gedrag en soberheid komen ze daar goed tot hun recht. De opvallende, zeer specifieke kleuraftekening is een lust voor het oog en een fraaie stoffering van het landschap. De vele in positieve zin afwijkende raseigenschappen onderstrepen het belang om dit inheemse ras in stand te houden, zowel op bedrijfs- als op liefhebbersniveau. De aandacht die het ras krijgt onder andere via de SZH en de Stichting Genenbank voor Landbouwhuisdieren is een hart onder de riem en geeft moed om tegen de stroom in te blijven roeien.
D. Nijenhuis |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Zie ook: korte beschrijving - stand van zaken - Koos van Zomeren |
|
Blaarkoppen |
Fotoos: - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12